74. Ouders aan Oepke
Scharnegoutum, 15 november 1891
Lieve Oepke!
Uw schrijven1 over het congres te Amsterdam en over Ph.J. Hoedemaker2 doet mij denken aan de vogelaar die zijn net bestendig uitzet naar de gelegenheid des winds - natuurlijk met het doel om veel wild te vangen, in Friesland bekend als wilster-vanger. Om nu deze vogels te lokken, heeft hij zich een fluitje gemaakt, welk geluid zeer juist dat van de wilster3 nabootst; ook bedient hij zich van lokvogels en dewijl nu de wilster meest altijd vliegt in gezelschap van kieviten, zo mag hij ook kieviten op de weeuw4 zetten, deze laatste mag hij echter niet vangen; kan hij het helpen, zo ook de kievit zich onder het net bevindt als hij het dicht slaat? Hij laat ze immers daarna weer in de vrije natuur vliegen? De wet verbiedt hem immers de kievit te annexeren. De kievit had op zijn eigen standpunt positie genomen, en de wet der vrijheid was hem waarborg dat de vogelaar hem die vrijheid niet zou benemen? Wat dunkt u, als nu één der kieviten bij ervaring wist dat het de vogelaar er om te doen was, om ook hem en zijn makkers onder het net te vangen, te houden en van hun vrijheid te beroven, was het dan niet natuurlijk dat hij de vogelaar liet begaan, al verzette deze ook tien malen zijn net naar de wind, en hij zijn makkers waarschuwde zich niet te laten verschalken? Gaat het nu aan te zeggen (om zonder beeldspraak te spreken): Ph.J. Hoedemaker moet met zijn beginsel positie nemen? Wij Hervormden staan immers op eigen erf en behoeven geen positie te nemen, of moet ik nog positie nemen in mijn eigen huis, omdat rondom mij zich allerlei machten groeperen om mij mijn erf te ontnemen. Ik geef toe dat mijn positie zwak staat als ze mij in mijn huis alleen of met weinige getrouwen laten, terwijl de meeste huisgenoten hun krachten buitenshuis verspillen, omdat ze menen alzo beter effect te kunnen maken, ik voor mij moet van die kabaalmakerij, dat voetgetrappel, algemene toejuiching enz. enz. niets hebben. Ik geef toe dat er Jehu’s moeten zijn om Achabs huis uit te roeien5 en dat er vrijbuiters waren van wie der verlossing van onder het Spaanse juk is begonnen, en dat de Here niet is gehouden, de verlossing te laten uitgaan van hen, die oprecht voor God wensen te wandelen en alleen geoorloofde middelen willen gebruiken; maar toch zullen zij het oordeel des Heren niet ontgaan, die door slinkse wegen succes bekomen, al is het ook dat de zaak waarvoor zij strijden geoorloofd, ja zelfs roeping is. Liever schaar ik mij bij hen die de vreze des Heren tot beginsel en het Woord Gods tot regel stellen van al hun handelingen, al is het dan ook dat hun stem al hun leven lang is gelijk aan die van een roepende in de woestijn. Op de vergadering van de Confessionele Vereniging ben ik niet geweest. Ik vreesde dat ze mij in het een of ander bestuur zouden kiezen, en daarin zitting te nemen, en dan ook iets uit te richten, laat mijn zwakke gezondheid niet meer toe, ik moet mij vooral in de wintertijd van veel reizen en trekken onthouden. Hartelijk gegroet van uw u liefhebbende vader,
D.P. Noordmans.
(AN)