Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Leiden 1890-1892

Weergave
Passages naar Readwise sturen

73. Ouders aan Oepke

Scharnegoutum, 1 november 1891

Lieve Oepke!

Uw brief1 heb ik twee à driemaal moeten lezen (wegens onduidelijk schrift), voordat ik alles goed begreep. Ik zal zo ge niet duidelijker kunt schrijven, door gewoonheid uw brieven nog moeten leren lezen. Wat de inhoud betreft heb ik er niet veel op te antwoorden. Uw onderscheidingen en nadere bepalingen stemmen met mijn oordeel overeen en zijn m.i. logisch tamelijk juist. Ik bedoelde volstrekt niet dat er b.v. een tweeërlei roeping in de Heilige Schrift geleraard werd, die tegenstrijdig was maar juist dat uit het verband waarin er van de roeping sprake was, en uit het verband der harmonische eenheid der Schrift moest verklaard worden dat er geen tegenstrijdigheid was, alsmede dat men niet gerechtigd was een gedeelte der Heilige Schrift te nemen om daarop zijn leerstellige dogmen te bouwen en logisch door te redeneren om alzo een ander deel der Schrift in de schaduw te plaatsen. Maar dat men daar waar de logica der rede ons geen dienst kon doen, gehouden was zijn gedachten gevangen te leggen tot gehoorzaamheid des geloofs en zich moest onderwerpen aan het gezag der Heilige Schrift zoals dan ook door u wordt geredeneerd. Om nu echter het geloof eerst daar een plaats in te ruimen waar de logica der rede eindigt, dit is m.i. gevaarlijk, dewijl de natuurlijke mens ook niet verstaat dat deel der Heilige Schrift, dat wel valt onder het bereik der rede, - want wel hebben wij een redelijke godsdienst2 - maar de rede van de gevallen mens is verduisterd, niet alleen de wil is afkerig, maar ook verstand en oordeel zijn dermate verduisterd dat de mens van nature het waarneembare niet ziet. ‘Geef mij verstand, met goddelijk licht bestraald, opdat ik zie hoe ik mij naar uw bevelen moet gedragen.’3 Nog schrijft gij: “De eerste roeping heeft zijn grond in de toerekening van hun schuld aan een andere.” Beter zou het zijn m.i. zich op dit punt anders uit te laten. De roeping of het welmenend aanbod van genade en schuldvergeving is geen openbaring van Gods besluit of voornemens, sluit ook niet in zich een verklaring dat de schuld van de geroepene of genodigde aan een ander in die zin is toegerekend, dat die andere (namelijk Jezus Christus) voor die bepaalde persoon heeft geleden en is gestorven, maar ze is: ‘komt, want alle dingen zijn gereed.’4 De algenoegzaamheid van het goddelijk borglijden is in natuur volkomen, zowel voor de gehele wereld als voor een zondaar. Komt de zondaar op deze goddelijke nodiging tot Jezus Christus dan kan hij zich verzekerd houden van zijn woord: ‘Ik zal u geenszins uitwerpen.’5 Uw redenering is verder juist. Die niet komt, gaat om eigen schuld verloren, gelijk in de nodiging: de één had een akker gekocht, de ander vijf juk ossen, enz.6 Die wel komt, heeft geen roem, want ook hij zou nooit gekomen zijn, zo er bij die nodiging nog niet tevens kwam de trekkende genade Gods. Het mysterie wordt door het geloof verstaan als moedwillige ongehoorzaamheid en afval van God, en dientengevolge onwil en machteloosheid om van de nodiging gebruik te maken op eigen rekening wordt gezet, en God wordt verheerlijkt voor de onuitsprekelijke genade die Hij ons heeft bewezen in de overgave van Zijn eniggeboren Zoon tot een verlosser en zaligmaker van zondaren. Het geloof mijnt en eigent zich deze weldaad toe7 op grond van dat God hem roept, klemt zich aan die roeping vast omdat hij gelooft dat God meent wat Hij zegt, niet voor maar eerst door dat gelovig aanvaarden komt hij tot de overtuiging dat kwijtschelding van de schuld door toerekening aan een ander ook zijn deel is, omdat de genade des geloofs als eerste weldaad van de toegerekende gerechtigheid van Jezus Christus ook aan hem is geschonken. ‘Het is u uit genade gegeven in de zaak van Jezus Christus te geloven.’8 Al het onzekere aangaande het onderwerpelijke deelgenootschap heeft dus zijn grond in het ongeloof ten opzichte van de eerste roeping of nodiging, zoals die tot ieder individu komt, die onder het evangelie leeft. En hoe zeker het nu is dat alles van Gods zijde vloeit uit zijn eeuwige raad en voornemen. De uitverkiezing, de borgstelling, de trekking des zondaars, enz., enz., waardoor God tot de zondaar komt. De zondaar komt van zijn zijde eerst tot ontdekking van al deze heilswaarheden in de weg des geloofs en eerst dan als hij zich van zijn personele verlossing verzekerd houdt op grond van het geloof in Gods openbaring, eerst dan, zeg ik, zal hij kunnen zingen: Eer nog dat ik was geboren, had Gods liefde mij verkoren.9 Doch ik merk alweder dat het plan om slechts kort te antwoorden ver is overschreden. De stof is zo veel rijker dan nieuwtjes van de dag. En dit punt dient m.i. nogal duidelijke onderscheiding. Als het mij geslaagd is duidelijk te zijn, kunt gij beter dan ik beoordelen, dewijl het veel gemakkelijker is in zulke punten voor zichzelf een gevestigd oordeel te hebben, dan om dit aan anderen mede te delen, toch geloof ik dat God u bedeeld heeft met een oordeel des onderscheids boven velen, een voorrecht niet te versmaden, maar van veel waarde in een betrekking als de uwe. ‘Die wel onderscheidt, die wel leert.’10 Hartelijke gegroet van uw u liefhebbende vader,

D.P. Noordmans.

(AN)

Noten

  1. 1

    Onbekend.↩

  2. 2

    Rom. 12:1. Zie ook: de populaire dogmatiek van W. à Brakel Redelijke godsdienst (1700).↩

  3. 3

    Vgl. Ps. 119:17 en 14 (ber. 1773); vs.17; vs.14.↩

  4. 4

    Nodiging uit het klassiek-gereformeerde Avondmaalsformulier, zie Dienstboek in ontwerp (’s-Gravenhage 1957), 89; vgl. Luk. 14:17.↩

  5. 5

    Joh. 6:37.↩

  6. 6

    Luk. 14:18, 19.↩

  7. 7

    Mijnen = toeëigenen.↩

  8. 8

    Fil. 1:29.↩

  9. 9

    Evang. Gez. 38:1; Gez. 173:1 (Bundel 1938): ‘Ja, eer ik nog was geboren, ... heeft zijn liefde mij verkoren ...’↩

  10. 10

    Bekende oorspronkelijk latijnse spreuk: ’Qui bene distinguit bene docet.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 72. Oepke aan zijn oudersLeiden 1890-189274. Ouders aan Oepke →