271. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Rotterdam, 21 december 1910
Amice,
Ik stel de vriendschap op een zware proef. Na je hartelijke uitnodiging geen letter antwoord. Laat ik ’t even psychologisch verklaren, in de hoop dat je ethisch gevoel dan genade voor recht zal laten gelden. De briefkaart wordt met blijdschap begroet, met genoegen gelezen. Ik zal spoedig antwoorden. De enveloppe wordt dus op de schrijftafel gelegd. Daar komen zakenbrieven, die eerst beantwoord moeten worden. Ik moet de stad uit. Kranten en stukken komen, op de schrijftafel, boven op de enveloppe. Na enige dagen plotselinge herinnering: ik moet nog even schrijven. Er komt weer iets tussenbeide. Van tijd tot tijd op ongelegen tijdstippen - in de trein of op straat - nog Gewissensbisse, die steeds dieper begraven worden. Eindelijk slaapt ’t geweten op dit punt: ’t heeft weer een andere prooi te pakken. Op een goeie dag wordt de schrijftafel opgeruimd, alles krijgt zijn vaste orde terug. Daar komt de enveloppe verwijtend voor de dag. ’t Geweten schokt wakker. Wroeging en berouw, resulteerde in een brief naar Suameer. - De uitnodiging lokte wel aan. Maar zoals je weet, ben ik nog een broer en twee zusjes rijk, die al in een hele tijd niet bij ons geweest waren. Al van voor de grote vacantie - toen wij zelf uitgingen en hen niet konden hebben - dateerde de uitnodiging dat zij de kerstvacantie hier zouden doorbrengen. Nu kan ik moeilijk weggaan, natuurlijk. Ik heb nog gedacht aan de eerste week van januari. Maar er is nog zo veel te doen aan verschillende dictaten, stukjes, archief enz.,1 dat het toch nuttiger is als ik de vacantie hier blijf. Dan kunnen verschillende dingen eens op orde gebracht worden. Ik heb al een lijstje, dat ik nog in geen twee maanden zal kunnen afwerken. Er is altijd veel werk aan de winkel. Maar ’t is prettig werk. En ’t gaat wel goed ook. Niet dat ik tevreden ben over methode, resultaat en inrichting van alles. Maar ik begin er wat gezicht op te krijgen en heb enig idee hoe ’t worden moet en ’t gevoel dat het wel zal lukken. Doch dat is dan niet met een vloek of een zucht gebeurd. Primo, vloeken wij niet. Secundo, gaat er altijd heel wat tijd mee heen voordat wij de verschillende vakken zo behandeld hebben, als ik zou willen. Daar moet aansluiting komen aan de praktijk van ’t zendingsleven en er moet een eenheid zijn in de te doceren vakken. Taak is dus: de theologische encyclopaedie van de zendingsgedachte uit tot één geheel te bewerken. Voeg daarbij onderwijs in wijsbegeerte, plantkunde, Griekse letterkunde (- ik las de Ilias en de Odyssee in grote trekken met ze door; dat staat je zeker wel aan -), Latijn en nieuwtestamentisch Grieks, dan kun je wel begrijpen, dat ik heel wat bokken schiet en dat ’t een druk bestaan is (+ leiding, correspondentie en helaas talloze vergaderingen). Maar zoals ik zeg, ’t werk bevalt me en na een jaar of vijf kan ’t goed zijn. Doch dan moet er geregeld gewerkt worden. De jongelui zelf zijn vol ambitie. Met ons huisgezin gaat ’t best. De jongens zijn gezond en weten zich wel te vermaken. Vooral de jongste is een blozende knaap van ruim 1⚑_ jaar, die wat door de kamer waggelt en alles weet te beduiden door de woorden en begrippen maar naast elkaar te zetten. Ook ’t wonen in deze stille buitenwijk bevalt ons goed. We houden ons voor bezoek zeer aanbevolen. Al is de logeerkamer niet groot en ons huis bij lange niet een pastorie, voor jullie beiden is er toch plaats genoeg. Wat de algemene toestand betreft. Keller2 is aan de publieke verachting prijsgegeven. De Papendrechtse zaak3 verklaart onze maatschappij voor gek. Daar kan ik op heel veel punten in meegaan. Neem de politiek en zet daar dan ’t ‘epitheton ornans’ Christelijk. Bekijk dan ’t conduite-boekje van de voorzitter van de Antirevolutionaire kamerclub, de leider bij de gratie Gods.4 Lees eens wat de christelijke heren op hun program zetten: tariefhervorming,5 46 millioen kustverdediging. En luister dan eens naar wat er door die heren in de kamer beweerd wordt en zie eens hoe een uilskuiken als Duymaer van Twist6 de minister van oorlog7 laat buitelen, op een wijze die beneden kritiek is, waar de minister zo ver tegemoet komt ...8 En bekijk dan weer eens die mooie combinatie van christelijk en politiek. Daar is geen eerlijkheid meer, die de dingen bij hun naam durft te noemen. Alles maar met de mantel der partijliefde bedekt terwille van de coalitie. ’t Is om te huilen. Ik kan er mij best in vinden, dat de meeste mensen gek zijn. Daar is de verdraagzaamheid der vrijzinnigen, die het liefst je de nek om zouden draaien en dan vriendelijk zeggen dat wij dat toch verdragen moeten en niet tegenspartelen. Daar is de ziekelijkheid van de Zuidhollandse orthodoxie, waarvan de verhalen je ’t hart in ’t lijf doen omdraaien. ’t Is een wonderlijke tijd. Wat zal er over vijfentwintig jaar zijn? Ik vind het een uitkomst voor mijn onderwijs te kunnen studeren en in de zending een eilandje te hebben, waar die dwaasheden nog niet bestaan. Als wij elkander spreken, dan kunnen wij er meer op ingaan. Dit zijn nu maar ‘losse gedachten’, zoals de vader uit ’t Meppelse armenhuis placht te zeggen, als hij een voorstel deed. Ontvang ons aller hartelijke groeten, ook voor je vrouw, tt.
Nus Brouwer.
(AN)