Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Suameer 1910-1923

Weergave
Passages naar Readwise sturen

289. H. van Eyck van Heslinga1 aan O. Noordmans

Berlikum, 28 november 1914

Amice frater!

Mij dacht, Noordmans, dat je reden had wat meer vertrouwen in mij te stellen.2 Ik kan mij evenwel je geïrriteerdheid verklaren, gegeven je toestand en zal je daarom niet in dezelfde toon antwoorden. Graag heb ik willen helpen en meende daarom ook als Suameerders3 uit eigen beweging en met ’t uitgesproken doel de zaken in ’t gerede te willen brengen, bij mij kwamen, je dadelijk van ons onderhoud op de hoogte te moeten brengen. Ik deed dat en ontken de waarheid van de genoemde aanvullingen. Meen je werkelijk, dat ik in staat zou zijn de lui aan te raden ’t bestuur hoofd voor hoofd te bewerken? Je bent overprikkeld. Anders kon je toch zo’n ploertig idee niet van mij vormen. Evenmin sprak ik over onze particuliere correspondentie. Ik schreef je trouwens al, hoe kort ik de lui ontmoette. Ik had verwacht, dat je bij alle verhalen vast vertrouwde, dat, als men bij mij kwam, je belangen mijnerzijds wel in ’t oog zouden worden gehouden. Dat ik dit deed, bewijze ’t volgende: M.i. houd je het ten onrechte voor zeker, dat ’t Provinciaal Comité,3 na het antwoord door Meester gegeven, in de bekende richting zou hebben geadviseerd.4 Dat weet je. Formeel had je daartoe ook geen recht, want ’t Provinciaal Comité qua talis weet zelfs van Meesters antwoord niets. Mij is per brief gevraagd, of de raad om te gaan solliciteren, gegeven na dat antwoord, was overeenkomstig ’t advies van ’t Comité en of dat Comité geen rechtvaardigheidsbesef had. Ik antwoordde, dat ik noch gemachtigd, noch gewillig was mij over ’t advies van ’t Comité uit te laten. Als ik nu oncollegiaal en oneerlijk had willen handelen - Van der Vegt5 schrijft mij deze week of ik ’t raadzaam vind, dat men een lijst ter tekening laat circuleren, aan ’t hoofd waarvan Meester verzocht wordt niet te gaan solliciteren. Ik heb hem gisteren geantwoord: ik raad dat beslist af. Het is zonder meer positie nemen tegen ’t bestuur. Er is maar één weg: Gods wil doen, verootmoediging en zelfverloochening en wilt gij dat niet, dan werkt gij des Satans werk in de hand. Uit de brief aan Van der Vegt blijkt meteen wat ik hem en Antonides hier aanried, want hij schrijft, dat dat niet gaat. Desgewenst zal ik hem je zenden. Anders geef ik hem je wel eens, als we elkaar ontmoeten. Je ziet, dunkt mij, dat ik geen ogenblik de collegialiteit vergat en wel oog had voor je positie, zelfs terwijl ik met je usurpatie van ’t advies van ’t Provinciaal Comité niet meega. Mijn plan was geweest je omtrent die lijsten-beweging in te lichten, maar gisteren had ik daarvoor geen tijd meer. Ik zal nu evenwel alle verdere dingen, die tot een verkeerde schijn konden wekken, afsnijden en Van der Vegt meedelen, dat ik particulier niets meer met de zaken wil te maken hebben. Heeft men wat, dan kan men zich officieel wenden tot ’t Provinciaal Comité. Laat ik eindigen met je te zeggen, wat ik tot heden verzweeg, dat reeds een vroeger schrijven mij onaangenaam trof.6 Ik heb van ’t begin af getoond je te willen helpen, terwijl een kind kon voelen dat je ’t Provinciaal Comité te hulp riep om de schoolkwestie in jouw geest opgelost te krijgen. - Toen je ’t nodig vond - met ’t zelfde doel - het gegeven advies te wijzigen, wat de redactie betrof, ging ik weer mee. Na Meesters antwoord ried ik je evenwel, persoonlijk, wat anders, dan je zelf gewenst voorkwam, en wel in je eigen belang en in dat van je gemeente. Mis was het. Je kon je met die raad niet verenigen - best. Maar het was niet genoeg, dat je mij van dat verschil van gevoelen in kennis stelde. Er moest een schop bij. Tot je verbazing, schreef je, gebeurden er op ’t gebied van ’t Christelijk onderwijs schrikkelijk onchristelijke dingen en wij - ’t Comité en ik - vonden dat blijkbaar goed. Verder was ’t gewenst, dat in die kringen eens wat meer liberaal fatsoen kwam - wat wij ook al niet gevoelden. Hadden wij dat nu aan je verdiend? Was dat nu, na al ’t gebeurde, tegenover ons christelijk en liberaal fatsoenlijk? Moest ’t Comité je alleen dienen door precies te doen, wat je wilde en anders ... Mijn plan was geweest, je persoonlijk daarover te spreken. Ik doe ’t nu schriftelijk, omdat het misschien helpen kan je van je onbillijkheid te overtuigen. Zoals ik zei - ik kan en wil veel verklaren uit de toestanden die je prikkelen, maar als je kunt, bewaar dan toch tegenover buitenstaanders een beetje je nuchterheid. Geloof mij - ik heb ’t nooit kwaad gemeend en doe dat nog niet. Bewijs deze brief. Met vele groeten tt.

H. van Eyck van Heslinga.

(AN)

Noten

  1. 1

    H. van Eyck van Heslinga, zie brief nr. 205 (6.2.1908), n. 1.↩

  2. 2

    Reactie op een onbekende brief van ON in antwoord op brief nr. 288 (11.11.1914).↩

  3. 3

    Antonides en Van der Vegt, kerkeraadsleden te Suameer, zie brief nr. 288 (11.11.1914).↩

  4. 4

    In het conflict tussen het hoofd der school, K. Harmsma, en ON als voorzitter van het schoolbestuur werd ook het Provinciaal Comité van Christelijk Volksonderwijs betrokken. Het comité koos de zijde van ON en het bestuur. Vgl. brief nr. 283 (18.3.1914) en K. de Jong Ozn., Bulletin 16 (juni 1988) nr. 6, p. 29.↩

  5. 5

    S. van der Vegt, ouderling en kerkvoogd te Suameer.↩

  6. 6

    Onbekend.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 288. H. van Eyck van Heslinga aan O. NoordmansSuameer 1910-1923290. H. van Eyck van Heslinga aan O. Noordmans →