Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9A, Suameer 1910-1923

Weergave
Passages naar Readwise sturen

304. O. Noordmans aan G.A. Wumkes1

Suameer, 17 oktober 1916

Amice collega,

De bijeengeroepen Predikantenvergadering was gisteren bijeen. Het speet ons zeer dat gij door ongesteldheid verhinderd waart. Ik hoop van harte dat deze toestand van overspanning en vermoeidheid spoedig moge voorbij trekken. Uit oude ervaring in dezen weet ik hoe onaangenaam zo’n geval is. Wees dus voorzichtig! De vergadering werd bijgewoond door 21 predikanten. Bovendien werd sympathie betuigd door 15 anderen. Een goed getal dus om mee te beginnen. Onder het geheel van 36 waren 9 orthodoxen, dus ⚑_ van het gehele getal, wat meen ik, gegeven het bestaan van de Friesche Predikanten Vereeniging niet kwaad is. Ik meen dat we met de zaak moeten voortgaan. Zo oordeelden ook de aanwezigen. De vergadering werd dus geconstitueerd. Besloten werd twee keer per jaar, in ’t najaar en in ’t voorjaar, te vergaderen; voor zulk een vergadering telkens aan alle Friese predikanten een convocatie te richten; de kosten van iedere vergadering op de aanwezigen om te slaan; op de vergadering te doen houden 1e een referaat 2e verdediging van stellingen; tussenin een eenvoudige koffietafel te houden. ’t Is dus geen vereniging, maar een ‘vergadering’, waar ieder hervormd Fries predikant toegang heeft. Niemand behoeft zich dus te binden. Is het programma enigszins aantrekkelijk, dan komt er allicht een voldoende aantal. Een reglement wordt niet opgesteld. Alleen een moderamen benoemd op de eerste vergadering. Het bezwaar voor rechts om te komen is dus tot een minimum herleid. Men moet beslist bezwaar hebben om met vrijzinnigen in één vertrek te zitten en eenzelfde spreker te horen; zo niet, dan kan men zonder bezwaar komen. Hoe dat in de praktijk zal lopen, weet ik ook niet. Vooruit had ik u wel kunnen zeggen, dat bij ’t begin de confessionelen wel niet zouden meewerken. Maar welke actie zou begonnen kunnen worden, wanneer men de eis stelde, dat het doel bij het begin reeds was bereikt? Dat is een contradictie. In een openingswoord heb ik gezegd dat hier geen kerkelijke actie of vooropgezette waardering van eens anders standpunt wordt uitgesproken door medewerking, maar dat in de medewerking zijdelings aanwijzing ligt van de mening dat ‘tijd’ niet ‘rijpt’2 voor uiteengaan, doch voor toenadering. In zover kan de oprichting betekenis hebben voor kerkelijke politiek. De eerste vergadering werd bepaald op 20 of 27 november. Liefst 27 november. Aan het voorlopig moderamen werd opgedragen een spreker te vragen. Wij, Klein Wassink,3 Faber4 en ik besloten om u te vragen of ge meent het te kunnen wagen om gezondsheidsredenen op één dezer data te lezen over een onderwerp uit uw studiegebied. Mag ik dit, liefst spoedig, even horen? Ik stelde voor om, mocht gij overhoopt niet kunnen, dr. De Hartog5 te vragen te komen spreken over ‘Orthodox en modern’ of een onderwerp waarbij oud en nieuw ter sprake komen.6 Dit werd goedgevonden. Men meende nl. dat het ’t beste was in de eerste vergadering geen vrijzinnig predikant te doen lezen. Wilt ge collega De Graaf7 ook even op de hoogte stellen? met vriendelijke groeten,

O. Noordmans.

(PAL)

Noten

  1. 1

    G.A. Wumkes, zie brief nr. 259 (15.4.1910), n. 1.↩

  2. 2

    Toespeling op de titel van de brochure van de Utrechtse hoogleraar dr. H. Visscher Tijd Rijpt. Gemeente Gods of reglementaire Kerk. Een woord naar aanleiding van den modus vivendi (Utrecht 1916). In 1915 deden de zes hoogleraren van de Utrechtse faculteit een modus-vivendi voorstel voor het vreedzaam samenleven der richtingen.↩

  3. 3

    B. Klein Wassink, zie brief nr. 294 (7.10.1915), n. 3.↩

  4. 4

    J.L. Faber, zie brief nr. 303 (17.9.1916), n. 3.↩

  5. 5

    A.H. de Hartog, zie brief nr. 154 (23.11.1901), n. 1.↩

  6. 6

    Cf. C.B. Hylkema Oud en nieuw Calvinisme. Eene vergelijkende geschiedkundige studie (Haarlem 1911). Hierin veroordeelde Hylkema (1870-1948), doopsgezind predikant o.a. te Den Helder en Haarlem, het neocalvinisme als tegengesteld aan het oud-calvinisme vanwege zijn horigheid aan een naturalistische wereldbeschouwing.↩

  7. 7

    H.T. de Graaf, zie brief nr. 298 (6.6.1916), n. 12.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 303. O. Noordmans aan G.A. WumkesSuameer 1910-1923305. O. Noordmans aan G.A. Wumkes →