321. O. Noordmans aan D. Boer
Suameer, 28 december 1920
Amice frater,
M’n copie met begeleidend schrijven1 verzond ik hedenmorgen aan uw adres. Thans kom ik met een kerkvoogdijkwestie om uw advies. Met het oog op de behandeling van het nieuwe reglement op de predikantstraktementen was ik dit jaar waakzaam bij de voorbereiding van stemming voor kerkvoogdij en notabelen. Dit najaar had ik reeds een viertal voorstellen tot reglementswijziging2 opgesteld: een voorstel dat kerkvoogden en notabelen lidmaat moeten zijn, wat thans niet nodig is; een voorstel om de bedeelden tot de stemming toe te laten en een voorstel om, als de middelen niet voldoende zijn tot de uitgaven, de verplichting tot hoofdelijke omslag te scheppen. Om zulke voorstellen aanhangig te maken zijn volgens ’t reglement 20 handtekeningen nodig. Ik kreeg 16 en wachtte met de laatste vier tot de stemlijst zou zijn vastgesteld, om daarna verder te kiezen. Er zijn drie kerkvoogden; twee zijn mij vijandig gezind; de ander is welwillend. Ik kreeg de indruk dat men de stemlijst liefst buiten m’n opmerkzaamheid had vastgesteld. Zij behoort in november te worden opgemaakt; werd dit echter pas 11 december. De afkondiging werd bij een collega die voor mij preekte op de rand van de preekstoel gelegd. Deze kondigde niet af, waarop een der kerkvoogden de afkondiging wilde nalaten. Toch kreeg ik nog de afkondiging. De stemlijst bleek mij bij inzage zeer onnauwkeurig opgemaakt. Andere jaren wordt mij de lijst van stemgerechtigden van de kerkeraad ter inzage gevraagd. Dit jaar niet. Enkele nieuwingekomenen, meer sociaalvoelende mensen, waren niet op de lijst geplaatst. Anderen, die er niet op behoorden, stonden er op. Ik diende bezwaarschrift in en zo deden ook, op mijn aansporing, de weggelatenen. Nu luidt art. 4, 2e alinea van het Reglement op het Beheer: ‘Bezwaren tegen dezelve (de stemlijst) moeten binnen die tijd (de acht dagen dat ze ter inzage ligt) bij kerkvoogden worden ingebracht, die dezelve in een vergadering met notabelen beslissen. De alzo vastgestelde lijst blijft van kracht tot op het ogenblik dat de eerstvolgende is vastgesteld.’3 Ik verzocht mij deze beslissing schriftelijk te berichten. De welwillende kerkvoogd deelde mij mee, dat de zeer vijandige dito niet van plan was schriftelijk antwoord te geven en dat de ook vijandige n°. 3 altijd met n°. 24 meeging. Ik zou dus wel geen antwoord krijgen, omdat het Reglement dit niet voorschrijft. Vandaag deelde hij mij mee dat de zeer vijandige n°. 2 zelf ter elfder ure ook schriftelijk bezwaar tegen de lijst had in-gediend in z’n kwaliteit als lid. Hem vroeg ik dat schrijven, waarvan ik inzage kreeg: Plaatsing (waarop vergat hij te vermelden) van alle namen van hen die dit jaar een gift hebben betaald voor een tekort der kerkekas en voor met name genoemde herstellingen aan de pastorie. Nu luidt art. 3 dat stemgerechtigd zijn alle manslidmaten: alle meerderjarige mansleden in de gemeente woonachtig, die door de doop aan haar behoren, die jaarlijks de kerkefondsen tot een zeker bedrag steunen, of die een zeker bedrag aan jaarlijks zitgeld betalen.5 Hij was ook van plan om allen op de stemlijst te brengen, die op de lijst van bijdragen voor het traktement voorkomen. Nu wilde ik u vragen. Maar eerst merk ik op, dat natuurlijk bijdrage traktementen geheel niet meetellen. Dat behoort niet tot de kerkefondsen. Maar ook die giften voor tekort kas en onderhoud pastorie lijken mij niet toelaatbaar. Immers er staat dat het ‘jaarlijks’ ‘steunen’ moet zijn en dit zijn giften voor eens. Gesteld dat ik geen antwoord krijg en dat men mij verzoekt de vergadering tot stemming, die van de predikstoel opgeroepen moet worden volgens art. 56 op te roepen, dan weiger ik aan die onwettige oproep mee te werken. Zijt ge ’t daarmee eens? Een kerkeraad kan mij tot afkondiging verplichten, kerkvoogdij niet! Ik ben geen omroeper. Dan zit ’t vast. En hoe dan? Zou ik kunnen eisen dat de lijst ten tweede male ter inzage wordt gelegd? Het Reglement spreekt daar niet over, maar anders zouden kerkvoogden bij behandeling van bezwaren de lijst kunnen wijzigen, door zelf, zoals nu geschiedde, in kwaliteit van lid ook bezwaren in te dienen en nieuwe namen er op te brengen. Dit zou althans nodig zijn als ze een hele nieuwe categorie, gevers van giften ineens er opbrachten. Het gehele ter inzage leggen werd dan een wassen neus. Heb ik recht appèl nominaal te vragen op een ledenvergadering aan de hand van de stemlijst? Maar dit is reeds vissen achter ’t net. Welke weg van beklag moet ik volgen wanneer eventueel kerkvoogden buiten of met mijn medeweten een volgens mij foutieve lijst tot grondslag der stemming maken of wanneer ze buiten mijn afkondiging om, die reglementair geëist wordt, op andere wijze gingen oproepen. Die afkondiging is mijn enig direkt middel. Ik kan medewerking weigeren. Maar hoe loopt de zaak dan verder? Het zou mij genoegen doen wanneer gij mij enig licht woudt geven. Vermoedelijk zal mij zondag de afkondiging van de vergadering worden verzocht. Welk een onding is zo’n kerkvoogdij! De zeer vijandige n°. 2 is een gezakte hulponderwijzer, fietshandelaar,7 die een goede hand schrijft en enige slimheid bezit en die door een groep rijke boeren gebruikt wordt tegen de pastorie. Alle voorstellen in de kerkvoogdij met of zonder notabelen worden door deze n°. 2 bestreden als ze de predikant zouden kunnen voordelig of aangenaam zijn. De anderen, die op één na, achter dit individu meer of minder weg schuilen, gaan dan mee. Gelukkig dat de strijd met dit instituut kan worden aangebonden. Praeterea censeo ...8 Zo moeten ook wij. Het bestaan van de Bond geeft reeds veel morele steun. Bij voorbaat mijn dank, Met vriendelijke groeten, tt.
O. Noordmans.
P.S. Bezit de Bond reeds een bureau voor rechtskundig advies in kerkvoogdijzaken?
(ABNP)