294. H.G.W. Briedé1 aan O. Noordmans
Franeker, 7 october 1915
Amice frater,
In no. 39 van het Hervormd Zondagsblad las ik een artikeltje, getiteld: ‘stemming kiescollege’ ondertekend G(root) E(nzerink).2 Dat lezende, heb ik met Groot Enzerink getrild van verontwaardiging over zulk een schandalige huichelarij en geveinsdheid als door Klein Wassink3 aan de dag gelegd wordt in zijn bewering, dat de verhouding tussen orthodoxen en vrijzinnigen in het kiescollege te Leeuwarden vrij goed geregeld moet worden geacht. Ik heb na de lezing van zijn artikeltje Groot Enzerink in gedachten goedkeurend op de schouder geklopt ‘flink zo! Stel wat gemeen is, maar mannelijk aan de kaak!’ En nu werd ook mij van evangelische zijde een blaadje4 toegestuurd met een protest tegen een enkele zin uit dat artikeltje, een zin, die op zichzelf gesteld en losgerukt uit zijn verband, niet heel verdraagzaam klinkt, maar die in het geheel van het artikel volkomen juist en gerechtvaardigd is. Ik vind de handelwijze van dat evangelische blaadje om zijn lezers die éne zin voor te houden, maar de inhoud en de strekking van het hele artikel te verzwijgen, min. De toezending aan ons als redactieleden, vind ik een tot gewetenloosheid gevorderde onbeschaamdheid. Ik maak me niet bezorgd, dat mijn mening over de dingen je onduidelijk zal gebleven zijn na lezing van bovenstaand. Met vriendelijke groeten, tt.
H.W.G. Briedé.
(AN)