167. A.M. Brouwer aan O. Noordmans
Haamstede, 12 november 1902
Amicissime,
Een brief uit Scharnegoutum’s pastorie1 en kort daarop ook De Nederlander2 en De Leeuwarder3 brachten ons in triple alliantie het bericht, dat de candidaat O. Noordmans het beroep naar Skuzum had aangenomen. Laten wij nu niet langer wachten met je hartelijk geluk te wensen. Wij hopen, dat je met vrucht, ook voor jezelf, daar moogt werken en dat je op deze eerste standplaats niet teveel illusies moogt verliezen. ’t Zal daar wel weer een heel ander soort werk wezen dan hier, maar ik hoop toch wat van de pastorale ervaringen op de hoogte te blijven. Wanneer denk je daar de herdersstaf op te nemen? En hoe denk je te doen wat de pastoriegezelligheid betreft? Een meid-huishoudster? Of zul je ons op een goeie dag verrassen met een dubbele kaart? Uit onze ervaring kunnen wij je dit wel aanraden. Het gaat ons nog altijd best. Wat ’t gemeentelijk werk betreft, het kerkgaan is nog gelijk en openbare botsingen hadden nog niet plaats. Ze zullen van mij ook niet uitgaan. Een visitie bij de heer Reisinger4 het welbekende schoolhoofd, was minder aangenaam, daar dit heer zich liet kennen van zijn slechtste kant, nl. van zijn schoolmeesters- een hoge dunk van zichzelf die geen verschil van mening toelaat. Wat dan van die gevolgen is, dat ik het hoofd laat voor wat-ie-is, tot tijd en wijle er weer een schermutseling moet geleverd worden. Mijn huisbezoek is, op de avondbezoeken na, afgelopen. De belangstelling viel mij mee. Maar de kennis is allerdroevigst gering. Dit blijkt wel op de catechisaties die ik nu begonnen ben. 7 à 8 uur in de week. Dit vind ik nog al vermoeiend werk, want je moet eerst thuis alles nazien en dan: hoe het ’t bevattelijkst te vertellen en te behandelen, zodat er wat van blijft hangen? Dat is niet zo gemakkelijk. Als je vraagt, wat ze vroeger geleerd hebben: uit ’t Oude of uit ’t Nieuwe Testament, dan weten ze ’t niet te zeggen: 1. omdat ze zich niets meer van ’t geleerde herinneren; 2. omdat ze ’t verschil tussen Oud en Nieuw Testament niet weten! Je vraagt je af: waarom zijn de mensen kerks en godsdienstig? ’t Schijnt een religie van gevoel en behoefte te zijn, zeker wel ’t beste soort, maar zonder kennis gevaarlijk voor alle mogelijke afdwalingen. We zijn hier dan ook rijk aan secten,5 maar toch gaan de mensen gemoedelijk met elkaar om. Dat is zowat mijn ervaring tot nu toe. Wijders zie ik aan je blik, dat je ook groot belang stelt in de konijnenteelt hier te lande. En dan kan ik je vertellen, dat verleden week de jachtclub van tien heren in drie dagen tijds 1100 konijnen en 50 fazanten geschoten heeft, en ook een ‘zeehaerinck’, niet zoals ik eerst meende, het welbekende zeevisje, maar een arend met een vlucht van 2.50 meter. We kunnen overigens niet merken dat er minder konijnen zijn. In mijn bosje wou een zijn nest maken. Dat is verhinderd. Verder hebben we een logé, Tinus Leopold, mijn neef, die hier voor zijn gezondheid is, hopende hier zenuwsterkte weer te vinden. Hij is bezig het bos aan te harken, een langdurige, maar niet onverdienstelijke bezigheid. De ‘hovenier’ is bezig ’t bosje wat op te knappen. Zelf doen we er ’t onze aan, door van de duinkant varens er in te brengen. We hebben er nu ruim 50 ingebracht, maar ’t is nog nauwelijks zichtbaar. Piet Vis6 leeft nog als een hert, is nog altijd vriendelijk en spraakzaam. Maar ’t ter sprake brengen van kerkelijke tucht bij de Avondmaalsviering7 heeft de kerkeraad, geloof ik, een beetje ontstemd. Ik heb ’t gevoel in brandnetels te zitten, die mij elk ogenblik kunnen steken. Maar alles went. We krijgen ook een kerstfeest met kerstboom voor de schoolkinderen. Een damescommissie (Bon en des burgervaders8 dochteren aan ’t hoofd) brengt ’t nodige in orde. Er is nogal wat voor te doen. Laat ook weer eens wat van je horen. (Vriendelijke dank voor je laatste brief). Met hartelijke groeten ook aan je ouders en van Bon, tt.,
Nus.
(AN)