150. G.Th. Smit1 aan O. Noordmans
Longerhouw, 12 november 1900
Amice,
Je deed er goed aan ons eens te schrijven; wij buitenmensen willen ook wel eens iets horen van de poëzie van het stadsleven. Maar jij zoekt de poëzie hier! ’t Is waar ook. Jò, de herfst is weer begonnen. De lessenaar zit weer vast. Natuurlijk! ’t Was zomer geweest. Onze meid - die van niets wist - kwam thuis met de boodschap: ‘wat hè dominee en meister trokken!’2 Maar zeg, je laat maar je blijspel te schrijven! ’t Is al erg genoeg dat je daar in Utrecht de weleerwaarde zit uit te lachen, met een opvoeder der jeugd3 incluis. Ik zou de vorige week al schrijven maar we hadden woensdagavond dankuur voor ’t gewas. Alzo drie preken in één week. Een vooruitzicht op de kerstdagen en oud- en nieuwjaar! vooral dit jaar. Maar woensdagavond moest meester uit Bolsward komen. Niettegenstaande hij reeds vóór zessen vertrok, was hij om 7 uur nog niet in Longerhouw. Zoveel was Longerhouw voor. Met al zijn beweeglijkheid spreekt meester zijn verbazing daarover uit tegen de onbewegelijke Douwe de Jong. En als succes voor al zijn woorden, antwoordde Douwe, natuurlijk geheel onaandoenlijk voor ’s meesters betoog: ‘wij rekenen met Longerhouwster tied.’ Meester dat later verteld. Wel verbazend! Longerhouwster tied! Heb je van je leven ooit gehoord! Dat men nog spreekt van Amsterdamse tijd, enz., enz., ... en elke uitroep werd met een daverende schaterlach besloten. De Friezen zouden zeggen: ‘Het raasde er over.’ A propos niet in blijspel, hoor! Het wordt morgen een week dat meester catechisatie heeft gehouden te Lollum. Niet minder dan vier uur. Dat was ’t begin van ’t examen. 27 October komt ’t vervolg en slot. Ben je nog somber gestemd? Laat je niet in de luren leggen door Byron,4 hij weet er niets van. ’k Wil je nog wat vertellen, misschien lach je dan nog eens. Ken je de wed. de Boer, halfweg Schettens, tegenover Van Dijk? Dat mens ziet verbazend zwart. Haar zoon scheen daarvan wel overtuigd te zijn. Hij zou haar zijn meisje voorstellen en in de vrees, dat de schrik te groot zou zijn voor het zenuwgestel der laatste, zeide hij: ‘As jou mem sjuggen mut je net kel wurden (dat betekende immers ⚑_ beroerte krijgen) want ze sjugt as een löw.’5 Het gaat ons wel. Wij verheugen ons van harte dat ook gij welstand moogt hebben. Werk met genoegen. Als ge ds. Gunning6 spreekt, doe hem mijn groeten. Thuis is ’t zeker ook goed. Zou vaders boekje7 wat aftrek vinden? ’k Heb het gelezen en zal ’t nog eens lezen. Ontvang de hartelijke groeten, ook van mijn vrouw en zijt Gode en zijn genade bevolen, t.t.
G. Th. Smit.
(AN)