Inleiding tot de familiebrieven
door dr. G.J. Paul
In de briefwisseling van de jonge Oepke Noordmans met zijn ouderlijk huis komen nogal wat namen van familieleden voor, die voor de lezers van deze brieven onbegrepen klanken zouden blijven, als niet een poging gedaan werd om de dragers van die namen aan hen voor te stellen. Het hier volgende overzicht van de familierelaties van Oepke Noordmans is bedoeld om deze ontmoeting mogelijk te maken en op die wijze meteen een verwarrende veelheid van verklarende noten bij de tekst van de brieven te voorkomen.
Wij beginnen dit overzicht met de familie van vaderszijde en staan allereerst stil bij zijn vader, Durk Piers Noordmans. Deze werd op 29 december 1828 geboren te Spannum, een klein dorp gelegen op de hoge weidegronden in het noordelijk deel van de Friese Greidhoek. Zijn ouders, Pier Noordmans en Antje Rispens, oefenden er het boerenbedrijf uit. Durk was niet hun enige kind. In de biografische aantekeningen van de familie Noordmans komen we de naam tegen van een ruim tien jaar oudere zuster, Jiskjen Piers Noordmans (1818-1864). Met haar man Tjitze Willems de Roos woonde ze op een boerderij in Wolsum. Oepke heeft deze tante niet persoonlijk gekend, daar ze bij zijn geboorte in 1871 al jaren overleden was. Haar naam komen we in de brieven dan ook niet tegen, wel echter die van de beide broers van zijn vader: Jacob Piers en Jan Piers Noordmans, of zoals ze in de brieven genoemd worden, 'oom Jacob' en 'oom Jan'. Veel meer dan hun namen vermelden de brieven echter niet. Van oom Jan vermeldt een bewaard gebleven rouwbrief, dat hij in 1913 op bijna 87-jarige leeftijd te Spannum is overleden. Een van zijn dochters was getrouwd met ds. J.P. Eringa te Amsterdam. Ook van oom Jacob noemt de familiecorrespondentie alleen maar de naam. Wat we nog meer van hem weten, danken we aan dr. G.A. Wumkes, die al in 1910 bezig was met voorbereidende studies voor zijn boek It Fryske Réveil yn Portretten (Snits 1911).1 In een brief uit 1910 aan zijn collega ds. O. Noordmans te Idsegahuizum vraagt Wumkes ook, of Noordmans hem iets zou kunnen vertellen over zijn vader. Blijkens zijn antwoord van 24 april 1910 heeft Noordmans op Wumkes' verzoek nogal afwerend gereageerd. Het zou hem, zo schrijft hij, zwaar vallen om er aan te voldoen en hij licht dit ook nader toe. Maar als Wumkes enige jaren later, in 1914, opnieuw bij Noordmans aanklopt om informatie over zijn vader, geeft hij zich gewonnen. We hebben er zijn lange en inhoudrijke brief aan Wumkes van 19 mei 1914 aan te danken, die geheel gewijd is aan de nagedachtenis van zijn vader en beschouwd kan worden als de hoofdbron voor de kennis van persoon en leven van Durk Piers Noordmans. Aangezien deze brief, samen met de gehele briefwisseling Noordmans-Wumkes, in dit deel van de Verzamelde Werken is opgenomen, beperken we ons op deze plaats tot nog enkele biografische bijzonderheden betreffende Noordmans' vader.
Al heel vroeg, toen hij nog maar zes jaar oud was, moest de kleine Durk zijn vader missen. Dat was in 1834. Gelukkig bleef zijn moeder nog vele jaren voor haar gezin gespaard. Toen Durk in mei 1853 als ongetrouwde jongeman van 24 jaar het ouderlijk huis in Spannum verliet om zelf een boerderij te beginnen in Tzum, heeft zijn moeder daar nog enige tijd met hem samengewoond. En een jaar voor haar dood – in 1857 – is zij nog getuige geweest van zijn huwelijk met Sjoerdje Meikes Ypma. Dat huwelijk werd voltrokken in 1856. Vier kinderen werden hun geschonken, een zoon en drie dochters. Dat de dagen des mensen zijn als het gras, heeft het jonge echtpaar Noordmans-Ypma ten diepste ervaren. Van hun vier kinderen bereikten alleen de jongste dochters, Trijntje en Antje, de volwassen leeftijd. Op hen beiden komen we nog terug. Het oudste dochtertje van Durk en Sjoerdje, de eerste Antje, leefde maar vier weken. Hun eerstgeborene, Pier – de enige zoon – stierf in 1875 op de leeftijd van zeventien jaar aan de tering. Wat kan er in korte tijd veel gebeuren in het leven van mensen en van gezinnen! Toen Pier Noordmans in 1875 overleed, was zijn moeder al jaren tevoren gestorven. Na haar dood was het moederloze gezin Noordmans van Tzum verhuisd naar Oosterend, waar vader Durk op 14/15 mei 1870 was hertrouwd met Gerbrig Oepkes de Roos (15 mei 1870 was een zondag. De burgerlijke voltrekking is dus een dag eerder geweest dan de kerkelijk inzegening).
En zo zijn wij gekomen bij de familie van moederszijde van Oepke Noordmans. Zijn moeder was Gerbrig de Roos, geboren te Oosterend, gemeente Hennaarderadeel, op 1 september 1832, als dochter van Oepke Willems de Roos en Anna de Gavere. Gerbrig's grootvader van vaderszijde was Willem Lambertus de Roos. Hij woonde te Wommels, waar hij van ongeveer 1800 tot 1840 het dubbele beroep van kastelein en kuiper uitoefende. Hij was getrouwd met Mintje Oepkes Vellinga. Hun tweede kind was Oepke Willems de Roos. Deze vestigde zich als zuivelhandelaar te Oosterend, waar hij op 21 oktober 1831 trouwde met Anna de Gavere. Niet lang heeft hun huwelijk geduurd, daar Anna in 1838 overleed. Zij liet haar man twee kinderen na: een dochter, Gerbrig, geboren in 1832, en een vier jaar jongere zoon, Willem. Het geslacht de Gavere was van Vlaamse origine en kwam uit het Belgische Aalst. Een notabele familie moet het al in vroege tijden geweest zijn. Oude kronieken melden dat in de zestiende eeuw twee leden van het geslacht de Gavere in de stad Aalst het ambt van schepen hebben vervuld. De latere stamvader van de Friese tak der familie, Jan Rogiers de Gavere, was van 1635 tot 1653 burgemeester te Harlingen. Een kleinzoon van hem was ds. Petrus de Gavere, die bijna 60 jaar, van 1739 tot 1798, predikant was te Oosterend. Weer een kleinzoon van deze ds. de Gavere was Aurelius de Gavere, die in de gemeente Hennaarderadeel het ambt van 'assessor' – wij zouden zeggen: van wethouder – bekleedde. Zijn vrouw was Gerbrig Wobkes. Van hun tien kinderen stierven de meesten jong. De volwassen leeftijd bereikten alleen twee dochters, Hotske en Anna. Deze laatste was het die in 1831 trouwde met Oepke Willems de Roos.
Wie zich verdiept in oude familiepapieren wordt getroffen door de broosheid en kortstondigheid van menig mensenleven en ook van menig huwelijksleven in die lang vervlogen tijden. Gerbrig Oepkes de Roos heeft het vanaf haar vroegste jeugd ervaren. Al op heel jonge leeftijd moest ze haar beide ouders missen. Haar moeder stierf toen ze amper zes, haar vader toen ze nog geen tien jaar oud was. Voogd over beide wezen – Gerbrig en haar broertje Willem – werd een toen nog maar 25 jaar oude oom, Jan Willems de Roos, die later emigreerde naar Amerika, waar hij op hoge leeftijd stierf. Nu we toch bezig zijn met namen uit de familie de Roos, vragen we hier even aandacht voor 'oom Johannes', wiens naam in de familiecorrespondentie enige malen voorkomt. Ook deze Johannes Willems de Roos was een zoon van Willem Lambertus de Roos en Mintje Oepkes Vellinga. We krijgen de indruk dat hij ongehuwd is gebleven. In 1891 stierf hij te Wons, in de ouderdom van 79 jaar.
Terug naar Gerbrig de Roos, de moeder van Oepke Noordmans. Evenals haar prille jeugd waren ook haar eerste volwassen levensjaren vol droefheid en schaduw des doods. Zijn het deze langdurige donkere tijden van haar leven, die een stempel gezet hebben op haar wezen? De schaarse brieven die van haar bewaard zijn gebleven leren ons haar in ieder geval kennen als een zeer hartelijke, maar ook gevoelige vrouw. Op 7 juli 1860 begon haar eerste huwelijk, met Pieter Jorrits de Jong. Maar ruim anderhalf jaar heeft het geduurd, daar haar man ziek werd en al op 11 februari 1862 overleed. Uit dit eerste huwelijk werd op 10 juli 1861 een dochter geboren. Baaije noemden haar ouders haar. Deze naam komen wij voortdurend tegen in de brieven. Geen wonder ook, want Baaije de jong is opgegroeid in het gezin Noordmans-de Roos, dat in 1870 haar ouderlijk huis werd. In 1884 trouwde Baaije met Ate van der Meer. Twee kinderen kregen ze: Gerbrig en Jorrit. Ate dreef een zuivelhandel in Scharnegoutum, later werd hij directeur van een zuivelfabriek, eerst te Oudebildtzijl, daarna te Birdaard. Het was in 1906, dat Baaije, zoals de rouwbrief meldt 'na een langdurig en geduldig lijden' op 45-jarige leeftijd stierf.
In 1867 hertrouwde Baaije's moeder met de weduwnaar Michiel Johannes Tiemersma. Nog korter dan het eerste duurde dit tweede huwelijk, daar haar man al in 1868 overleed. Het was op 14 mei 1870, dat Gerbrig de Roos voor de derde maal in het huwelijk trad: met Durk Piers Noordmans, weduwnaar van Sjoerdje Meikes Ypma. Een lang en gelukkig huwelijk werd het, dat ruim 37½ jaar duurde, tot 12 december 1907. Het was op die dag, dat vader Durk, of zoals de kleinkinderen zeiden: 'Pake Durk', op bijna 79-jarige leeftijd te Scharnegoutum stierf. Oepke's moeder heeft hem nog enkele jaren overleefd. Op 16 mei 1910, ze was toen 78 jaar, was ook haar levensloop voltooid.
Uit het huwelijk van Durk Noordmans en Gerbrig de Roos werden drie kinderen geboren, alle drie zoons. De oudste was Oepke. Hij werd geboren op 18 juli 1871. De tweede zoon was Jakob, de derde Pier. Deze twee werden beiden boer. Jakob trouwde met Ruurtje Lemstra. Het jonge paar vestigde zich in Tzum, de plaats waar ook vader Durk in 1853 een boerderij begonnen was.
Pier vond als levensgezellin Dieuwke de Boer, met wie hij eerst te Oosterend en later in Scharnegoutum woonde. De ouders Noordmans, Durk en Gerbrig, woonden de eerste jaren van hun huwelijk in Oosterend. Maar op 12.5.1879 verhuisden zij met hun gezin naar Scharnegoutum. Een groot gezin was het, feitelijk van hun trouwdag af aan. En groot was ook hun beider verantwoordelijkheid, tegenover maar liefst drie soorten kinderen. Daar waren allereerst de drie kinderen Noordmans uit Durks eerste huwelijk: Pier, Trijntje en Anna. Pier, die in 1858 geboren was, stierf in 1875 na een langdurige ziekte op de leeftijd van maar zeventien jaar. En zo viel ook over de Oosterender jaren alweer de schaduw des doods. Maar het waren gelukkig niet alleen maar schaduwen, waarmee het echtpaar Noordmans-de Roos geconfronteerd werd. Er waren ook perspectieven, zoals dat gaat met opgroeiende kinderen. Daar was Baaije en later haar man, Ate van der Meer, en nog later hun beide kinderen: Gerbrig en Jorrit. Wie de brieven leest, wordt zich bewust van een wijde, nog maar steeds groeiende familiekring, die aan velen levensruimte bood.
We komen hier nog even terug op de beide Noordmans-dochters: Trijntje en Anna. Trijntje, meestal Tine genoemd, werd later de vrouw van ds. H.C. Lambers, die achtereenvolgens hervormd predikant was te Lettelbert-Enumatil, Rijperkerk, Schettens-Longerhouw, opnieuw Rijperkerk, Hasselt, Eexta en, vanaf 1900 tot zijn dood in 1911, te Lunteren. Het was een opgroeiend gezin, dat gezin Lambers. In de brieven komen we, meest ter gelegenheid van logeerpartijen in Scharnegoutum, vooral de namen tegen van de drie oudste kinderen: Betje, Sjoerdje en Grada. Ook Antje of Anna, de jongste Noordmansdochter, kreeg een predikant tot echtgenoot: Hantje (= Hans) van Dijk. Na zijn theologische studie aan de Vrije Universiteit stond hij als gereformeerd predikant achtereenvolgens te Gaast en te Oosternijkerk. Zeven kinderen kregen Hans en Anna: een meisje en zes jongens. Helaas was Anna teer van gestel. Het was in Gaast dat zij na een langdurige ziekte in het jaar 1905 op ruim 40-jarige leeftijd stierf. Anna was de zuster, zes jaar ouder dan hijzelf, op wie Noordmans doelt in zijn overdenking Gods Poorten, waarmee de gelijknamige bundel meditaties uit 1949 begint.
Als 'insiders' in huize Noordmans komen wij in de familiebrieven ook telkens Oepke en zijn jongere zuster Gerbrig de Roos tegen. Zij waren de kinderen van Willem, de vroeg overleden broer van Gerbrig Oepkes de Roos. Wij krijgen de indruk, dat Oepke en Gerbrig als pleegkinderen geheel in de familie Noordmans waren geïntegreerd. Evenals Hans van Dijk studeerde ook Oepke de Roos theologie aan de Vrije Universiteit. En zo werd ook hij gereformeerd predikant, eerst te Oudega en daarne te Rinsumageest. Ter onderscheiding van de beide Oepkes werd in huize Noordmans, als men het had over Oepke de Roos, van 'grutte' (= grote) Oepke gesproken. Ging het over Oepke Noordmans, dan sprak men van 'lytse' (= kleine) Oepke! En hiermee zijn dan de meeste in de brieven voorkomende namen van familieleden aan de orde geweest.
Geen familie, maar in de kring als vanzelf opgenomen waren Gerben (of Germ) en Ymkje (of Ytje). Zij waren als inwonend personeel in de familiekring, die ook hun levensruimte was. Geen brief, die aan 't eind niet ook voor hen een groet bevat.