12. Oepke aan zijn ouders
Zetten, 2 februari 1886
Geliefde ouders!
Gij schreeft in uw brief dat ik spoedig moest terugschrijven. Dat zal ik dan ook maar spoedig doen. Mijn gezondheid schikt nogal en het zal wel bij verkoudheid blijven. Ik heb ten minste geen last meer van het hoofd en de keel, maar ben nu nogal vrij wat verkouden. Uit uw briefkaart heb ik vernomen dat gij allen nogal wat verkouden zijt. Nu dat wil naar ’t schijnt tegenwoordig met iedereen wel, nu het zulk afwisselend weer is, nu eens vriezen en dan weer dooien. Ook heb ik vernomen dat O. de Roos weg is. Nu dat kan men bij ons ook wel merken wanneer de studenten weggaan, want dominé van Lingen heeft een zoon, die student is1 en er zijn ook een stuk of drie studenten met de dochters van dominé verloofd2 die dan in ’t laatst van de vacantie daar waren. Veel nieuws heb ik niet meer. Ik hoop dat ge gauw van de verkoudheid moogt afkomen, want het is niet zo heel prettig. Na groeten uw u liefhebbende zoon
O. Noordmans
(AN)