517. J. Koopmans1 aan O. Noordmans
’s Heer Hendrikskinderen, 5 oktober 1935
Hooggeachte ds. Noordmans,
Bij de zending, die mijn vrouw u in de zomer had beloofd, wil ik gaarne een berichtje voegen, met name over de moeilijkheden met de dissertatie. In juli was ik in uw plaats in Barchem2 om het de humanisten aan te zeggen. Daar vertelde mij prof. Lindeboom,3 dat er een doctorandus in Groningen bezig is te werken over het kerkbegrip in de zestiende eeuw. Met deze man ben ik toen in correspondentie getreden, en het bleek, dat wij enige voorzichtigheid betrachtende best naast elkaar zouden kunnen werken. Maar sindsdien is in Nijmegen door de bibliothecaris der Rooms-katholieke Universiteit mijn aandacht gevestigd op de dissertatie van pater P. Polman l’Element historique dans la controverse religieuse du XVIe siècle van het jaar 1932.4 Het blijkt, dat dit boek precies dezelfde dingen behandelt, die ik mij had voorgesteld te bewerken. Nu kan ik moeilijk een proefschrift vullen met een tegenspraak tegen een roomse dissertatie. Dus heb ik aan prof. van Rhijn5 geschreven, dat mij niet veel anders overblijft dan aan de slag te gaan voor het volgend werk, dat ik me had voorgesteld na de dissertatie op te zetten, en dat dan als proefschrift te laten dienen. Dat zou moeten worden een onderzoek naar de betekenis en de consequenties van het ‘begrip’ orthodoxie. Dat is wel een beetje kerkelijk voor een dissertatie, maar nu mij tweemaal een meer academisch onderwerp uit de hand valt, en aangezien m’n theologische idealen toch tenslotte een kerkelijke tekening vertonen, acht ik het ook weer geen al te groot bezwaar, als dit reeds in het proefschrift tot uiting komt. Wat betreft de promotor, het liefst blijf ik nu maar bij prof. van Rhijn, met wie ik nu eenmaal in zee gegaan ben. Mocht hij echter zelf vinden, dat dit onderwerp niet onder de kerk- of dogmengeschiedenis meer kan vallen dan lijkt me eigenlijk prof. Aalders6 de man. Ik stel me de behandeling ongeveer voor als volgt. In de inleiding zou ‘orthodoxie’ in theologische zin moeten worden afgegrensd van het fenomenologisch spraakgebruik. Over de theologische zal het dan verder moeten gaan. 1e. Over de verschillende ‘orthodoxieën’, die de kerk kent. Het een en ander over de klassieke strukturen, hun verhouding en hun ‘volgorde’. 2e. Wat is de tegenstelling der orthodoxie, nl. de heresie? Waarom is het werk der concilies anathematizare7 (Luther)? Iets over de samenhang van heresie en schisma. 3e. De fundamenten der orthodoxie, Schrift en kerk, toegespitst als canon en dogma. De orthodoxie als een zaak van de Heilige Geest. 4e. De verhouding van de inhoud tot de ‘omvang’ van het geloof; de onverbrekelijke samenhang van fides qua en fides quae creditur. Dit zou toe te lichten zijn met de probleemstellingen in de 19de eeuw. Tenslotte de vraag, die ik in Bilthoven aan prof. Lindeboom stelde: wat is (kerkelijk) belijden?8 5e. Orthodoxie en geschiedenis. De onaantastbaarheid en de betrekkelijkheid der orthodoxie. Orthodoxie als een zaak van geestelijke catholiciteit, onverminderd de betekenis der beslissingen, der consequenties. Het is vooral jammer om het tijdsverlies, dat ik van onderwerp moet veranderen. Aan de andere kant werd het me toch ook langzamerhand wel duidelijk, dat er in het onderwerp met de noodzakelijke beperking die eraan gegeven was, niet helemaal dat zat, wat ik eigenlijk zocht. Als u eens tijd kunt vinden, dan wilt u misschien wel eens schrijven, wat u van de plannen vindt. Ontvangt u met mevrouw onze vriendelijke groeten. Met de meeste hoogachting, uw dw.
J. Koopmans.
(AN)