581. O. Noordmans aan P. Scholten1
Laren (G.), 13 april 1937
Hooggeachte Prof. Scholten,
Na rustige overweging van uw voorstellen omtrent art. 282 ben ik tot de conclusie gekomen, dat ik daartegen geen bezwaren heb. Mijn opvatting is deze, dat men de gemeentelijke ambten - afgezien van het altijd bestaande en niet gereglementeerde opzicht - niet opzettelijk en wettelijk op elkaar moet richten. Dat geeft een onprettige sfeer en hindert de arbeid. De ambten zijn van elkaar af gericht en fungeren naar de gemeente toe en naar de wereld. Dan komt ook pas het onderscheid goed uit. Het zijn verschillende departementen of provincies, waarin de ambten bezig zijn. Veel nadruk leggen op de identiteit brengt mee, dat de differentiatie en daarmee de meervoudige greep op de wereld afneemt. Daarom zou ik het van groot belang achten, als de oorspronkelijke functies van de gereformeerde ouderling in overeenstemming met de mogelijkheden van onze tijd, weer in actie konden worden gebracht. Dat de diaken in vele gevallen een natuurlijker en frisser plaats in de kerkeraad inneemt dan de ouderling komt daarvan, dat deze laatste het werk aan zijn winkel in de loop der eeuwen zag ophouden. Hij werd dan onwillekeurig een soort dwarskijker van de dominee. Deze laatste functie wettelijk vast te leggen - daartegen stond mijn verzet. Ik zou de ouderling liever zijn eigen werk weer willen teruggeven: het verzamelen van de mensen, d. i. het constitueren van de gemeentelijke kring, waarin de prediking, het onderwijs enz. moeten plaats hebben. En daarnaast de disciplinering van die kring in christelijke zin. Daar ligt een machtig stuk werk, dat op andere wijze en onder andere voorwaarden dan vroeger kan worden ter hand genomen. De Hervormde gemeenten zijn verwilderd en dezer wereld gelijkvormig geworden en de ouderlingen zijn dikwijls zeer gereserveerd als het er op aan komt de predikant te steunen als hij hen wil mobiliseren in hun eigenlijke functie. Ook de predikant zelf ziet daar meestal erg tegen op. In deze verscheidenheid van de ambten ligt m.i. een lichtpunt voor de kerk. Dit neemt echter niet weg dat ze samen verantwoordelijk zijn voor de gemeente en elkaar hebben te steunen en te raden. Daarom ben ik niet tegen uw redactie van art. 28. Met mijne groeten, Uw dw.
O. Noordmans.
(AN)