Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 7. Laren

Weergave

582. O. Noordmans aan J.F. Beerens1

Laren (G.), 17 juni 1937

Amice,

Gij hebt blijkbaar mijn artikel voor Kerkopbouw aan Brouwer ter hand gesteld voor een ‘Naschrift’, dat er nu ook onder staat.2 Ik stel mij voor de discussie voort te zetten, maar doe dat niet als mijn artikelen met kanttekeningen worden voorzien. Een stuk moet zijn eigen indruk kunnen maken, die door zo’n aangehangen ‘label’ wordt gehinderd. Zo wekt het Naschrift al dadelijk misverstand. Er staat in dat ik niet op punt of liever ambt 5, 6, 7 ben ingegaan.3 Maar ik schreef zelf juist dat ik daartoe bereid was, maar in dit artikel geen ruimte had. Brouwer is medewerker van ’t blad evenals ik en geen voorzitter meer van Kerkopbouw.4 Ik zie geen enkele reden waarom hij gelegenheid zou moeten krijgen tot opmerkingen bij mijn stukken, een gelegenheid die ik niet heb en ook niet wens, ten opzichte van de zijne.5 Met vriendelijke groet, tt.

O. Noordmans.

(AKO)

Noten

  1. 1

    J.F. Beerens, zie brief nr. 312 (19.2.1920), n. 5.↩

  2. 2

    ‘Kerkorde en beroep op de Heilige Schrift’ (2) en ‘Naschrift bij Kerkorde...’ (2) KO 6 (juni 1937) nr. 2. Het eerste artikel over dit onderwerp verscheen in KO 5 (april 1937) nr. 12. Deze en enkele andere artikelen verschenen in het kader van een discussie n.a.v. A.M. Brouwer, De kerkorganisatie der eerste eeuw en wij (Baarn 1937). Zie VW 5, 391-403. In zijn naschrift stelt Brouwer een aantal kritische vragen: ‘... Waarom niets gezegd over de Zending? Dit is toch stellig een vijfde departement naast de vroeger door Dr. N. genoemde. Wanneer wij die centraal stellen, wordt ons kerkbegrip toch wel geheel anders: dynamisch in plaats van statisch. Dit is een fundamenteel punt veel meer dan de vraag naar de doctores. En waarom ook de onderlinge verantwoordelijkheid der predikanten niet besproken? Ook dit wijzigt het kerkbegrip meer dan de vraag naar de doctores. Eveneens geldt dit van de plaats der vrouw. Komen wij op de lijn die Dr. N. volgt, niet tot de conclusie, dat de 350 jaren die ons van Calvijn scheiden, ons niets hebben geleerd omtrent de organisatie en feitelijk ook niets omtrent de H. Schrift en bijgevolg ook niets omtrent de belijdenis? Stellen wij zoo de geschiedenis der Hervorming niet boven de H. Schrift, iets dat Dr. N. niet zegt te willen, maar waarvan ik gezegd heb, dat als wij ons van de letter der Schrift moeten losmaken (wat noodzakelijk is op een terrein waarop alleen indirecte aanwijzingen gegeven zijn) de vraag zuiver historisch en practisch wordt?... Is dit zo, dan wordt de kerkorde die niet onmiddelijk uit de Schrift is af te leiden, tenslotte bepaald door de historische verhoudingen van de volkeren, waaronder de kerk haar roeping te vervullen heeft. Dan zijn wij, Nederlandsche Gereformeerden, historisch en practisch aangewezen op de presbyteriaal-synodale kerkorde, evenwel met dien verstande, dat wij niet eenvoudig teruggrijpen op de zestiende eeuw, maar die wijzigingen er in aanbrengen, die de geschiedenis van 350 jaren ons als wenselijk heeft doen kennen. Dat is de grondgedachte van mijn boekje over de kerkorganisatie en ik ben door Dr. N. nog niet overtuigd, dat die grondgedachte onjuist zou zijn...’↩

  3. 3

    Naast de ambten van dienaar des Woords, ouderling en diaken kende Calvijn ook dat van doctor. Brouwer wilde nog drie andere ambten: op de terreinen van de arbeid van de vrouw, zending en visitatie.↩

  4. 4

    A.M. Brouwer was op dat moment inderdaad geen voorzitter om gezondheidsredenen hoewel hij het voorzitterschap later opnieuw op zich nam.↩

  5. 5

    In een brief van 18.6.1937 schrijft Beerens aan Stevens: ‘Ingesloten schrijven ontving ik vanmorgen van coll. Noordmans. Ik ben ’t volkomen met hem eens. Onder artikelen van vaste medewerkers moeten geen naschriften worden geplaatst. Ik schreef hem terug dat ik aan dit feit onschuldig was en met hem betreurde dat het geschied was. Wilt gij er om denken, dat het zich niet herhaalt.’ Uit een brief van Brouwer aan Stevens (6.7.1937) komt het volgende citaat: ‘Ik ben nog altijd dankbaar, dat ik ’t eerste artikel dadelijk heb kunnen beantwoorden. In ’t komende artikel zal ik ’t laten afhangen, of ik verder de dicussie nog voortzet. Wanneer Ds. N een beetje boos is geweest, dat ik dadelijk heb kunnen antwoorden, dan blijkt mij, dat ik de zaak juist aangevoeld heb. Ik kreeg uit dat eerste artikel de indruk, dat ik er fijntjes tussen genomen werd, wat, zonder onmiddellijk antwoord, zijn werk niet mist: de schrijver krijgt gelijk en men kan over een maand er wel wat op antwoorden, maar er heeft zich dan een opinie gevormd, die men moeilijk meer wegneemt. Bij een onmiddellijk antwoord treft zo’n opzet geen doel. Als het om waarheid te doen is, moet men niet over een onmiddellijk antwoord wat boos zijn.’↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 581. O. Noordmans aan P. Scholten7. Laren583. O. Noordmans aan P.H.Th. Stevens →