597. G. van der Leeuw1 aan O. Noordmans
Groningen, 27 april 1938
Amice,
Zeer bedankt voor je mooie bespreking van mijn lezingen in het Weekblad.2 Je zegt wel heel veel goeds van me, maar de lichte ironie hier en daar maakt de lof acceptabel. Je bent een meester in de karakteristiek. Hier en daar heb ik moeite mijzelf te herkennen en vraag me af of ik dan wel jij verkeerd ziet. Ik kan namelijk de tegenstelling tussen wat je de ‘dialectische’ en de ‘anglicaanse’ manier noemt,3 niet toegeven. Beide moeten worden gevolgd, willen wij niet komen of tot een onheilig acosmisme, of tot een esthetiserende Weltfrömmigkeit. Ik laat mijn idee van een levende Kerk dan ook geenszins varen. Ik wil haar alleen critisch (geloofscritisch, zegt Haitjema) verstaan. Natuurlijk komt nu eens het een, dan het ander sterker naar voren, nu eens de dienstknechtgestalte, dan de vleesgeworden Heer. Dat hangt van het verband af. Maar beide momenten moeten er m.i. altijd zijn. Anders komen wij of tot een practische ontkenning der Incarnatie, of tot een min of meer pantheïstisch incarnationalisme. Vandaar ook ons verschil in de politiek. Als ik je woorden over het koningschap4 consequent neem, dan laat je de politiek over aan de historie en het recht, d.w.z. aan de duivel. Je maakt de staat op die manier tot een religieus indifferente, d.i. in wezen duivelse macht. Je neemt de positie van Barth in de belijdenisstrijd in, die m.i. het bestaan van kerk en staat beide onmogelijk maakt. De kerk kan niet leven buiten een staat; de staat kan niet bestaan zonder hoger sanctie. De kerk blijft in de wereld, de staat kan nimmer geheel van de wereld zijn. Dit begrijpt Hitler in vele opzichten beter dan de liberaal-seculiere staat in Frankrijk bijvoorbeeld. Al zoekt dan ook Hitler zijn sancties in een heidense mythe. En wat je bezwaren tegen mijn methode5 betreft, ja, als ik die veranderde, moest ik niet alleen mij zelf, maar ook de wereld, zoals God die geschapen heeft, veranderen. Waarom kunnen theologen toch zo slecht scheppingsordinanties verdragen? Voor mijn besef is het juist de grote heerlijkheid in die schepping, dat een David tegelijk Palestijns bendehoofd, koning bij de gratie Gods en stamvader van de Heer kan zijn.6 Je moet mij niet verwijten, dat ik geen Augustinus ben.7 Niet alleen is er een klein verschil in begaafdheid en roeping, maar ook enig verschil tussen de werelden, waarin die man Gods en ik (om ons nu maar in een adem te noemen!) leven. Maar ik was zeer blij met je bespreking. Hartelijk gegroet, t.t.
G. van der Leeuw.
(AN)