599. P. Scholten1 aan O. Noordmans
Amsterdam, 21 juni 1938
Zeer geachte heer Noordmans,
Een enkel woord om mijn instemming te betuigen met uw protest in de NRC2 van hedenavond. Gij hebt - waarschijnlijk opzettelijk - het advies nog te gunstig geïnterpreteerd als van prof. Brouwer persoonlijk. Het is blijkens de inhoud van de uitvoerende commissie. De letters er onder passen daarbij niet. Mijn eerste reactie was: een brief aan het moderamen te schrijven, waarbij ik voor Kerkopbouw bedankte. Ik deed het niet, omdat ik het persoonlijke element uit de strijd wil houden, maar als de beslissing gevallen is - hoe ze ook moge zijn - doe ik het zeker. Kerkopbouw en Algemeen Weekblad zijn op dit ogenblik propagandabladen tegen het Ontwerp. Dit nummer van Kerkopbouw is niet anders dan bestrijding en...wanbegrip. Wat het Algemeen Weekblad betreft, de redactie geeft Brouwer ter recensie aan Korff3 en u aan ... Brouwer!4 Wat hij over uw boekje schrijft is beneden peil. Is dit kerkelijk gesprek? Het deed mij goed, daartegenover de grondbeginselen in Reorganisatie 19385 te lezen. Wij zullen in deze geest moeten doorgaan - er kome wat wil. Nog een woord over art. 70.6 Met u acht ik het artikel zwak in zijn formulering. Maar de uitdrukkelijke uitspraak die er in ligt: nieuw belijden kan nodig zijn en dit nieuwe belijden moet kerkelijk geschieden (de grote Kerkvergadering) zou ik niet graag missen. Ik dacht nog over uw woorden op onze laatste vergadering in de A.M.V.J.7 omdat dit punt mij niet bevredigde en niet bevredigt - al acht ik tegenover Brouwer thans vasthouden noodzakelijk om geen voet te geven aan zijn bedenkelijke belijdenis-leer. Deze mensen spreken over ons als voorstanders van de juridische leertucht, terwijl juist zij de belijdenis als niet anders dan juridisch kunnen zien. Doch genoeg. Uw stukje in de Rotterdammer bracht mij tot schrijven, de rest volgde vanzelf, doch een schriftelijke gedachtenwisseling wenste ik niet op te zetten, we spreken er nog wel eens over. Beste groeten, uw dw.
Scholten.
(AN)