623. C.J. de Vogel1 aan O. Noordmans
’s-Gravenhage, 6 mei 1939
Hooggeachte dr. Noordmans,
Mijn boek Newmans gedachten over de rechtvaardiging, waarover ik u dit najaar schreef,2 is de vorige week verschenen. Waarschijnlijk hebt u er reeds een exemplaar van ontvangen, of anders zal dat dezer dagen wel gebeuren. Ik verzocht n.l. de uitgever het u rechtstreeks te willen toezenden voor Nieuwe Theologische Studiën. De redactie van dat tijdschrift en uzelf zullen dat, denk ik, wel goed vinden, daar u indertijd ook daarin schreef over de dissertatie van de heer Van de Pol.3 Ik hoop dat u niet al te zeer van de (wel zeer Hollandse) omvang zult schrikken: het is een ‘μεγα βιβλιον’4 geworden - we zullen nu maar afwachten of dit ‘μεγα κακον’5 wellicht toch ook aan enkelen een ‘μεγα καλον’6 zal mogen schijnen. Ikzelf hoop intussen nog bepaalde lijnen van dit werk verder te volgen, het eerst in een meer ‘technisch’ artikel over de rechtvaardiging in Onder Eigen Vaandel (critiek op E. Böhl),7 dat ik u te zijner tijd hoop toe te zenden, daarna de vraag naar de filosofische consequenties, die op de achtergrond van dit werk mij meer en meer zijn gaan bezighouden. Voor het ogenblik moet ik mij ex officio8 wat bezighouden met Aristoteles - voor een recensie die ik een zwaar karwei vind, maar waaraan ik me toch niet wil onttrekken. Nu laat ik u gaarne mijn boek ter beoordeling en hoop dat de lectuur u enige vreugde zal geven. Met de meeste hoogachting,
C.J. de Vogel.
(AN)