De brief van Ph. Kohnstamm aan A.M. Brouwer: ‘Ermelo, 1 juni 1939, Amice, Zoëven belt Zeydner mij op naar aanleiding van het rapport over Schrift en Kerkorde, in het bijzonder punt 15 daarvan. Immers, hij maakt zich bezorgd, dat wat daar wordt gezegd onverenigbaar is met de aanvaarding van ons rapport omtrent de wenselijkheid van een kerkorde, waarin het belijdende karakter der kerk duidelijk tot uitdrukking komt. Bij eerste lezing van het rapport heb ik punt 15 niet aldus opgevat. En het schijnt mij nu nog, dat de stellers van het rapport die betekenis ook niet in het rapport en zijn conclusies daaraan willen hechten. Veeleer schijnt mij de bedoeling van punt 15 te zijn geweest, wat ook onder de stellingen is opgenomen, dat zowel een presbyteriale als een episcopale en een bestuurlijke kerkorde qua talis uit de Schrift verdedigbaar zijn. Zo lees ik althans de laatste alinea van punt 14, die punt 15 inleidt. Daar wordt gesproken van het niet-onschriftuurlijk zijn van een bestuurlijke kerkorde in beginsel, al acht het rapport haar op vele punten voor verbetering vatbaar. Maar dan dient toch wel duidelijk uitgesproken te worden, dat dat alleen dan kan, wanneer de nadere uitwerking het belijdende karakter der Kerk niet in gevaar brengt. Dit betoog en de consequenties daarvan ontbreken helaas in het rapport. En het gevolg daarvan zal naar ik vrees zijn, dat de tegenstellingen, die toch reeds zo scherp zijn, zullen worden verscherpt en dat het zopas gesloten accoord thans dreigt definitief verbroken te worden. Ik hoop deze bedenkingen in onze Moderamen-vergadering naar voren te brengen, maar wilde je reeds van te voren daarvan in kennis stellen, opdat je er mee rekening kunt houden ook bij wat je in de algemene ledenvergadering op donderdag 8 zult zeggen. Het schijnt mij voor het voortbestaan van Kerkopbouw wel van uiterst groot gewicht, dat er omtrent dit punt van het belijdende karakter der Kerk geen twijfel blijft bestaan. En omtrent de uitwerking in de practijk van het bestuurlijke apparaat in onze Kerk sedert 1816 kan toch wel geen twijfel tussen ons bestaan. Tenslotte zou ik mijn bedenkingen aldus willen samenvatten. Het is wellicht jammer, dat dit rapport reeds thans in de ledenvergadering behandeld wordt, voordat het rapport der commissie over ‘Schrift en Belijdenis’ is verschenen. Want nu moest de samenvattende conclusie over Kerkorde en Belijdenis ontbreken. Toch is het zeker, of men nu met punt 6 de Kerk te Caesarea Philippi laat beginnen, dan wel met Pinksteren, dat in beide gevallen een belijdende Kerk is bedoeld. Zie ook het rapport eerste regel na punt 7. Ik zou daarom op de Moderamenvergadering willen voorstellen, dit rapport nog niet te publiceren, maar het aan te houden, totdat deze kwestie tegelijkertijd er mee kan zijn uitgewerkt. Met vriendelijke groeten,
Ph. Kohnstamm.’↩