685. O. Noordmans aan H. Kraemer1
Laren (G.), 9 januari 1942
Waarde Kraemer,
Na de ontvangst van uw brief van 22 december 19412 kwamen de feestdagen met hun vele preekbeurten. Thans wil ik nog terugkomen op de vraag, die u mij daarin hebt gesteld. Mij bleek ook nu weer hoe gebrekkig schriftelijk verkeer is. Vermoedelijk is dit overigens minder het geval dan wij menen. Het zal wel zo zijn dat men elkaar antwoordt over het geschrevene heen, van persoon tot persoon. Wanneer u mijn opvatting van uw brochure verbetert, dan heb ik dat eigenlijk niet nodig: ik weet het zo wel. Omgekeerd heeft mijn zeer uitvoerige brief weinig3 uitgewerkt. Hij was misschien te lang. U hebt daaruit gelezen, dat ik voor de aardse hantering van het Evangelie opkom en de belijdenis boven de bijbel stelde. Ik schreef u dat het Evangelie niet van aardse hantering is, maar dat God Zelf, volgens de Handelingen en de Brieven, ons een hantering gegeven heeft. Vanuit een directe relatie tot het Evangelie, buiten de apostelen om, kunnen wij dus niet spreken en handelen. De hantering, die God ons gaf van het Evangelie, staat ook in de bijbel. Wanneer wij daar buitenom gaan, komt alles in de kerk op losse schroeven te staan. Wij kunnen ons - allerminst nu - veroorloven om dit principiële terzijde te schuiven. Creatief te zijn buiten het principiële om is de christen niet geoorloofd. De doorsnede van alle van God gegeven macht toont de lijnen van het recht. Die van de liefde de lijnen der rechtvaardigheid. Zelfs wanneer God in de natuur creatief is, is Hij tegelijk ‘altijd Geometer.’4 Zo staan, na het Evangelie, de Handelingen en de Brieven, waarin wij de lijnen aflezen, volgens welke het Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid,5 werkt. Men vindt dan de grondlijnen van de belijdenis en de kerkregering. De vrijzinnigen hebben steeds een meer directe relatie tot het Evangelie gezocht en achter de evangeliën een meer directe weg tot Jezus. Dat is een geestelijke en kerkelijke fout, die zich wreekt. Wanneer u dan ook zegt, dat ik al maar gevaren zie, dan komt dat voor een deel omdat ik het beleefder vind op de gevaren van een richting te wijzen dan de richting zelf te wraken. Het wil echter niet zeggen, dat ik de richting geheel zou billijken. Oncreatief was onze houding na 1932 zeker niet. Ik mag in dit verband zeggen, dat ik in de beweging, waarin ook de vrijzinnigen betrokken waren, een zeker aandeel heb gehad. Vooral ook ten opzichte van de richtlijnen der verschillende ontwerpen. Met de vrijzinnigen heb ik levenslang een zeker geestelijk contact gehad en ik kan steeds min of meer met hen opschieten. Daaraan dat zij zover meegingen als tot vlak voor 1938, heb ik voor een vrij hoog procent meegewerkt. Bezwaren als nu tegen uw brochure,6 werden vroeger door de confessionelen en later door de vrijzinnigen tegen mijn brochures ingebracht. Wij verweten toen de tegenstanders rechts en links, dat zij enkel gevaren zagen. U begrijpt, dat het mij nu enigzins vreemd te moede is te moeten horen dat wij gezamenlijk volhouden in een oncreatieve houding. Dat u het recht zoudt kunnen hebben tot een zo totalitair oordeel, wil ik in ’t afgetrokkene niet ontkennen. Ik weet ook wel dat er verschil is tussen de jaartallen 1938 en 1942. Op dat komende verschil heb ik mij vroeger meermalen reeds vooruit beroepen. Twee dingen blijven daarbij echter vereist. De door God Zelf in de bijbel getekende lijnen, de structuur van dogma en kerk, moet geëerbiedigd blijven. Wij kunnen niet zo op het Evangelie teruggaan, dat zelfs de apostelen uitgeschakeld zouden worden, of dat ons kerkelijk jaar zou wegvallen. De vrijzinnigen zullen - het kan niet anders - tot de kerk moeten terugkeren. En in de tweede plaats zal, als wij zullen ingaan op grote veranderingen in ons geestelijk en kerkelijk leven, een verbinding van heldere waarheid en mystieke verzekerdheid ons moeten leiden.7 Wij zullen moeten weten dat wij niet anders kunnen. De kerk mag niet geleid worden door proclamaties en afkondigingen van bovenaf.8 Wij zijn geen episcopale maar een hervormde kerk en in zoverre is de naam Hollands nog geen scheldwoord geworden. Onze onwettige synode mag van de omstandigheden, die critiek bijna onmogelijk maken, ook geen misbruik maken om dingen door te zetten, waartoe anders geen kans zou zijn. Zij kan nu misschien niet abdiceren; maar zij mag niet vergeten dat zij het vroeger niet gewild heeft. Door dit besef moet haar actie gelimiteerd blijven. Een te persoonlijke leiding zou ik hoogst bedenkelijk achten.9 Hiermee heb ik enkele dingen neergeschreven, die ik op het hart had. U wilt mij wel ten goede houden, dat ik het al weer met enige uitvoerigheid gedaan heb. Met vriendelijke groet, uw dw.
O. Noordmans.
(AHK)