719. O. Noordmans aan P. Scholten1
Laren (G.), 25 januari 1944
Hooggeachte prof. Scholten,
Sedert de zomer van 1943, toen ik u te Hulshorst bezocht, is al weer een lange en bewogen tijd verlopen. Maken mevrouw en u het nog goed? Hier is gelukkig alles nog wel. Wat mij aanleiding geeft u thans te schrijven is het volgende. Door de nieuwe kerkelijke wetten is, zoals u bekend is, het verplichte emeritaat ingevoerd.2 De woningnood vormt echter een lastige tegen-instantie. De Synode nam daarom de vorige herfst een noodmaatregel,3 die aansloot bij een tot de classicale besturen gerichte circulaire.4 De circulaire wees op de mogelijkheid om een emeritus-predikant tijdelijk, telkens niet langer dan voor zes maanden, tot hulpprediker te benoemen, met enig uitstel van het beroepingswerk, waartoe dan diligent verklaring moet worden aangevraagd.5 Deze benoeming geschiedt dan volgens art. 46 van het nieuwe reglement op de predikantstraktementen6 ‘ter tijdelijke voorziening in de vacature’ en in het salaris van de hulpprediker wordt volgens datzelfde artikel voorzien uit de inkomsten van de standplaats, die anders strekken tot het predikantstraktement. Samen met zijn pensioen zou de hulpprediker-emeritus dan ongeveer evenveel traktement hebben als vroeger. - De noodmaatregel, die de Synode daarna heeft genomen, diende om te voorkomen, dat de hulpprediker-emeritus zulk een gelijkblijvend inkomen zou trekken.7 Hij bepaalde, dat de Centrale Kas, die volgens art. 46 Predikantstraktementen ook minder uit de vacaturegelden zou krijgen, als er zulk een hulpprediker was, er buiten moest blijven. En dat er bovendien aan de emeritus, zolang hij hulpprediker was, geen f 2.300.- of f 2.400.-, maar slechts f 1.900.- pensioen zou worden uitbetaald. Door deze reductie geniet de hulpprediker nu, bij een gemiddeld gemeentetraktement van f 2.750.-, slechts een salaris van f 1.400.- met een korting op ’t pensioen van f 400.-, dus in werkelijkheid ± f 1.000.- voor het werk, dat het vorig jaar met ruim f 4.000.- aan hem werd betaald. Hiermee heb ik u - voor zover nodig - de situatie beschreven. Wat ik u zou willen vragen volgt thans. Wanneer de kerkeraad, volgens het reglement op het hulppredikerschap, zulk een hulpprediker heeft benoemd, ‘met het oog op een bestaande vacature of een met vacature gelijkstaande toestand’ (Art. 3, Reglement Hulppredikerschap)8 of, zoals het heet in art. 46, Reglement Predikantsplaatsen, ‘ter tijdelijke voorziening in de betrokken vacature’,9 mag de kerkeraad dan, gedurende de termijn van aanstelling des hulppredikers (bijv. 1 januari - 1 juli), een beroep uitbrengen? In de aanstelling van de hulpprediker10 wordt hem een salaris beloofd, dat een deel uitmaakt van de inkomsten van de standplaats + het vrije gebruik van pastorie en tuin. In de instructie11 worden hem opgedragen, voor de duur van dit halfjaar, alle werkzaamheden, die, volgens art. 21 Kerkeraden,12 ook aan een dienstdoend predikant zijn opgedragen (behalve een of twee, nl. 9e, soms ook 6e).13 Gaat nu de kerkeraad gedurende dit halfjaar beroepen, bijv. 1 maart, dan doet hij dat, volgens het officiële model voor een beroepsbrief,14 met de aandrang om ‘ten spoedigste’ over te komen. Een beroeping op termijn, bijv. op 1 maart tegen 1 juli, kent de kerk niet. Beroept nu de kerkeraad op 1 maart, dan draagt hij de werkzaamheden, die voor de termijn 1 januari - 1 juli ‘ter tijdelijke voorziening in de vacature’15 aan de hulpprediker-emeritus zijn opgedragen, nog eens op aan een ander en aan deze zonder termijn, met het predicaat ‘ten spoedigste’, zodat voor een deel van genoemde termijn twee aan bod zijn. - Het salaris van de beroepen predikant vraagt alle inkomsten van de standplaats. Maar deze zijn voor bedoelde termijn belegd (voor de helft ongeveer) door de aanstelling van de hulpprediker. Wanneer hij derhalve ‘ten spoedigste’ komt, zouden twee functionarissen aanspraken op die helft laten gelden. Bovendien zouden pastorie en tuin tot 1 juli voor hem ontoegankelijk zijn, omdat die in de aanstelling van de hulpprediker zijn gegund. Mijn vraag is nu of, met deze kerkelijke wetten voor ogen, een kerkeraad bevoegd is om gedurende dezelfde termijn gedane opdrachten nog weer aan iemand anders te verlenen (preken, sacramentsbediening, catechiseren, enz.); of hij gelijktijdig aan twee personen recht op het halve tractement - of liever de een het halve, de ander het hele - mag toezeggen; of hij pastorie en tuin in vrij gebruik mag geven aan een hulpprediker, om daarop een predikant te beroepen met verzoek er ‘ten spoedigste’ in te komen wonen. Wanneer er een predikant op een standplaats is, kan er niet beroepen worden. Eenmaal vergeven rechten kunnen slechts opnieuw worden aangeboden, als zij weer vrij zijn; en zo ook de opdrachten, als ze ledig zijn. Tenzij tegen een bepaalde datum, zoals bij huurovereenkomsten. Maar dat kent de kerkelijke wet niet op het stuk van beroeping. Daarom moet worden gewacht. Dit hulppredikerschap dient ‘ter tijdelijke voorziening in de vacature.’ De plaats is wel vacant, maar de vacature is niet totaal; zij is door die benoeming beperkt. Geldt nu hier ook niet evenzo dat die beperkingen moeten zijn opgeheven, voor een beroep kan worden uitgebracht? Immers de beroeping is totaal en slaat slechts op een totale vacature. De aanstelling van de hulpprediker is getekend door de kerkeraad, de kerkvoogden en de Ring en goedgekeurd door het classicaal bestuur. Wanneer een dergelijke beroeping werkelijk tot een dubbele aanspraak op opdrachten en salarissen leidde, wat in de praktijk wel niet gemakkelijk zal voorkomen, dan zouden burgerlijk-juridisch de aanspraken van de hulpprediker, dunkt mij, wel ’t eerst gelden. Minder zeker is of de kerkelijke besturen, die vaak weinig scherp onderscheiden, een beroeping binnen genoemde termijn niet zouden approberen. Zij zouden misschien zeggen: de plaats is vacant, dus kan er beroepen worden; of: dan moet die beroepen dominee maar wat wachten met over te komen; of: dan moet er maar dispensatie gevraagd worden van dat ‘ten spoedigste’. Al deze gemoedelijkheden verdoezelen echter de eigenlijk kwestie n.l. of zo’n beroep bestaanbaar is en of het niet kan leiden tot een situatie, die de burgerlijke rechter zou moeten terecht zetten. Dat dit het geval is, schijnt mij onweersprekelijk. En dat kan de bedoeling van de kerkelijke wetgever toch niet geweest zijn. Mag ik uw mening daarover horen? Bij voorbaat mijn dank. Met vriendelijke groet, hoogachtend, uw dw.
O. Noordmans. Postzegel ingesloten.
(AN)