729. J.H.C. Kamsteeg1 aan O. Noordmans
Gorssel, 10 juni 1944
Zeer waarde vriend!
’k Heb behoefte je nog eens te schrijven. We denken zo vaak aan u beiden. Wat zal de stilte en de leegte om je staan. Toch niet als benauwenis, alleen als droefheid. De rouwkaart heeft ons zeer ontroerd. God is liefde. Zie, toen ik dat las, toen verstond ik dat God Zijn vertroostingen al had thuisgebracht, anders hadt ge dat toen nooit kunnen schrijven. Daarom zeg ik ook dat de benauwenis niet om u beiden zal zijn. Toen Slotemaker2 in zijn laatste ziekte, het was geloof ik ook zijn enige ziekte, ziekenbezoek ontving, zei hij: ‘nu zie ik ziekenbezoek pas aan de andere kant’ en hij zag het anders dan ooit tevoren. Nu is de rouw en het grote leed gekomen in uw huis en zo als ge het nu ziet, hebt ge het waarschijnlijk ook nog nooit gezien en nochtans getroost en gesterkt. God is liefde. Het heeft ons zeer verkwikt, niettegenstaande de ontroering over het sterven, dat ge zo schrijven mocht. Ook de begrafenis hebben we niet mogen bijwonen. We hebben nog moeite gedaan voor een auto, maar die was niet te krijgen en fietsen, daar was geen denken aan, daar m’n nier weer wat bloed afscheidde en rust dus stellig geboden was in die dagen. Graag zouden we u beiden toch even willen bezoeken, maar we zullen rustiger tijden moeten afwachten, denk ik. En nu met de invasie en de wilde geruchten die ommegaan, wordt het reizen per bus wel heel onzeker en dus moeilijk. Zijt ge allebei nog gezond en Johan ook? Van harte sterkte gewenst, ook in de moeilijke dagen die wellicht komen over heel ons land en volk. ‘In Uw hoede zijn wij wel geborgen.’3⚑ Met hartelijke groet ook van m’n vrouw, aan u beiden steeds gaarne je vriend
J.H.C. Kamsteeg.
(AN)