764. Mw. G. Scholten-Fockema1 aan O. Noordmans
(Amsterdam), 16 september 1946
Zeer geachte ds. Noordmans,
Nu ik weer in het land ben, kom ik u eindelijk dank zeggen voor uw deelnemende woorden na het overlijden van mijn man, en voor de waardeering die uit uw schrijven sprak. Ja mijn man heeft in zijn laatste levenjaren veel werk gedaan om de menschen aan elkaar te binden, en hij bleef zichzelf zooals u terecht schreef. Wat u persoonlijk voor hem waart en door uw bezoeken in Amsterdam en in Hulshorst heeft u wel aangevoeld, hij beschouwde u als een echte vriend en hij had zoo groote bewondering voor uw werk. Ik weet niet of hij u dankte2 na zijn 70sten verjaardag, ik meen dat hij u nog steeds had willen schrijven, hij heeft dit in Canada willen doen. Er waren ongeveer 18 brieven die hij langer wilde beantwoorden, maar dit heeft niet meer mogen gebeuren. Hij heeft het slechts een uur lang moeilijk gehad, hij voelde dat hij heenging; ik kreeg zoo de overtuiging dat God hem tot Zich riep dat ik dankbaar was alleen met hem in de hut te mogen zijn; er was geen dokter aan boord. Zijn leeswijzer lag die dag bij 2 Cor. 4:16;3 en zoo is het geweest. In vriendschap en na hartelijke groeten, uw dw.
G. Scholten-Fockema.
(AN)