766. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Lunteren, 19 october 1946
Waarde Miskotte,
Nu ik u ten tweede male ga schrijven zeggen mijn vrouw en mijn gemoed tot mij: wees kort. Ik wil deze dubbele maning gehoorzaam zijn en het geheimenis eerbiedigen, dat in uw leven verschenen is. Ik blijf mij altijd herinneren een zinnetje uit uw schrijven bij het overlijden van mijn zoon in 1944: ‘Ik ben jaloers van het geheimenis.’1 Het is er nu in uw eigen leven. Uw lieve vrouw herinner ik mij het best, zoals zij u stond op te wachten, terzijde van de weg, bij Lochem. Zo zal zij nu voortaan staan, bij een andere weg, wachtende tot gij, hinkende aan de heup van de worsteling,2 levenslang, zult nakomen. Moge de liefde Gods, de genade van onze Here Jezus Christus en de gemeenschap des Heiligen Geestes u dragen en omringen.3 Met diepste deelname, uw broeder in Christus,
O. Noordmans.
(AKHM)