816. O. Noordmans aan J.J. Buskes1
Lunteren, 6 februari 1948
Waarde collega Buskes,
Nu gij mij iets vraagt over een pericoop, waarover gij bezig zijt te preken, zal ik mijn antwoord op uw schrijven van 3 februari 19482 niet lang uitstellen. Allereerst hartelijk dank voor die brief, die mij versterkte in de overtuiging, dat het leven geen eenzame affaire is, maar dat wij geestelijk met elkaar in verband staan. Van mijn kant sla ik zelden over, wat er van uw hand te lezen valt. Heel treffend dat artikel ‘Ik ben tegen Colijn’.3 Vooral het slot: die man, die na het manifest van de 7 de volgende zondag en daarna weer in de kerk was.4 Dat zijn momenten! Als men zo iets leest, komen er enige interjecties uit de mond van een lezer. Wel, wel! of zo iets. Men staat even stil in het leven en geeft de moed nog niet op. De hand maakt een beweging in de lucht en slaat er een gat in. Althans zo ging het mijn vrouw en mij. Op ’t ogenblik zit mijn zoon, de student, het op mijn advies te lezen. Die ziet voorlopig nog meer de humoristische kant, maar hij is ook nog pas op de voorloop en niet aan het slot. Nu uw eerste vraag over Verzoeking en Onze Vader. De overeenkomst kan niet al te duidelijk zijn, want dan zou zij vaker zijn opgemerkt en ik heb dat nergens gevonden. Zij mag ook niet te opvallend zijn. Er moet een moeilijkheid blijven. Toch vind ik de overeenstemming zo treffend, dat dit bezwaar mij niet verhindert de analogie ook bij de tweede bede te postuleren. Er is ook analogie hier. God aanbidden of Satan. Satan wil Jezus schuldig laten worden, zoals Adam bij het proefgebod. Beide keren ging het om het bezit nemen van de aarde, zonder grens, zonder rem. Beide keren om het ontstaan van de schuld. Over uw tweede vraag zal ik nadenken. Met hartelijke groeten, uw
O. Noordmans.
(ABuskes)