822. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Lunteren, 15 maart 1948
Waarde Miskotte,
Het wordt heel hoog tijd dat ik terugschrijf op je gelukwensen bij mijn 45-jarig ambtsjubileum en een daaraan voorafgaand schrijven. Ik ben wat achteropgekomen door een ietwat chronische ongesteldheid, die mij handicapt bij mijn werk. Het is een ingewandsaandoening, die - vermoed ik - gevolg is van vermoeidheid. Mij is althans rust voorgeschreven - gelukkig slechts gedeeltelijk. Ik heb hoop dat het binnenkort zal aftrekken. Het heengaan van Tromp1 heb ik zeer betreurd. Ik kende hem al, toen hij nog student was, voorzitter van Utrechts N.C.S.V. Op Hardenbroeck en elders ontmoette ik hem geregeld. Hij kwam in de zomervacantie meestal een keer bij mij. Ik hield van hem en ontmoette hem graag. Hij had iets bijzonder innemends. Een eerlijk en trouw mens. Nuchter en toch diep. Zijn artikels in In de Waagschaal waren buitengewoon goed.2 Ik had het gevoel dat hij daarin boven zich zelf uitging. Dat verwonderde mij en beangstigde mij een weinig. Ik wist toen niet, dat hij een kwaal had. Hij laat een lege plaats over, ook voor mij. Wat heeft hij zich geweerd, toen gij tijdelijk op non-actief waart gesteld. Gij hebt mij onlangs, naar aanleiding van een meditatie nog eens geschreven over onze kennis van het hiernamaals. Gij noemdet uzelf op dat punt aangevochten. Ik geloof niet dat hier argumenten bij te brengen zijn en bijgebracht behoren te worden, die ‘zoden aan de dijk zetten’. Het is het terrein van de hoop en Bunyan heeft ons geleerd dat men daarbij langs de poel ‘wanhoop’ komt.3 Toch geloof ik dat ons aardse bestaan, dat zo massief en solide schijnt eerder iets is dat samenklontert rondom enige stralen, die van de overzijde komen, zoals alle leven op aarde physiek een soort verdichting (condensatie) is, rondom de zonnestralen. De verwondering zal wel juister zijn dan de twijfel. Voor mij is het grote de verwording van de humaniteit. Zijn wij nog mensen? placht ik jaren geleden op Barchem reeds zo nu en dan te vragen. Kan het genus ‘mens’ ons ook onder de handen zoek raken? Het is ergens begonnen met het Woord en dus met waarheid en gerechtigheid. Kan het ook ophouden als deze twee onder ons verdwijnen, al stoten wij daarna ook nog klanken uit? Hoe kunnen sadisme en leugen zo algemeen worden? Dat is een verschrikkelijke vraag. Deze week zend ik aan Slotemaker4 een meditatie voor het Paasnummer.5 De eerste stond in het Kerstnummer.6 De drie maanden, gedurende welke gij mij gevraagd hebt ze te schrijven, zijn dan verstreken. Met hartelijke groeten, Uw
O. Noordmans.
(AKHM)