838. O. Noordmans aan J.J. Buskes1
Lunteren, 7 januari 1949
Waarde collega Buskes,
Mijn vrouw en ik lezen steeds met bijzondere belangstelling, wat gij schrijft over het evangelisatie-werk in Amsterdam.2 Dit is een van de dingen, waarmee de toekomst der christenheid gemoeid is. Het is zo belangrijk, dat het bijna niet te zeggen is. Een reusachtig zendingsveld, vlak voor de deuren der kerk. En dan geen kleurlingen, waaraan men wennen moet, maar bloedeigen neven en nichten, blozende Hollandse jongens en meisjes en flinke, leuke Amsterdamse mannen en vrouwen. Het werk is Paulinisch: een gaan staan tussen eigen kerk en de heidenen daar vlak naast, in dezelfde maatschappij. Het zal zijn grote moeilijkheden hebben, het werken dag in dag uit op zo’n onafzienbaar veld. Anders dan de gemeentelijke moeilijkheden, bijvoorbeeld op een dorp. Daar wenste men soms eens andere, nieuwe gezichten te zien; nieuwe onderwerpen te kunnen aansnijden. U zult van dat goede soms te veel hebben en u niet opgewassen voelen tegen het reusachtige van de taak. Uw laatste artikelen maakten op mij de indruk dat u een beetje neergebogen was en daarom schrijf ik deze brief. Niet alsof ik u iets zou kunnen geven, maar enkel en alleen maar om u te laten merken dat uw werk de aandacht en belangstelling heeft van velen, die u dat niet dagelijks kunnen zeggen. Bij het werk in zo’n grote stad moet men wel eens ‘amechtig’ worden (Jona 4:8). Dat zal niet anders kunnen en het hoort er zo bij. Maar dat is een symptoom van Gods goedertierenheid. Jona kreeg dat gevoel toen God de stad spaarde. Wij hopen van harte dat God alle Amsterdammers en Amsterdammertjes zal sparen, zo dat uw arbeidsveld nog hoe langer hoe groter wordt. Uw werk zal wel hoe langer hoe moeilijker worden. Maar gij zit toch gelukkig niet meer onder al die mensen te dichten zoals Laurillard3 en Ten Kate J.J.L.4 en gij zit de geschiedenis van de gemeente niet te schrijven, zoals Vos,5 maar historie te maken. Er is tegenwoordig een penibele discussie gaande hoe de roomsen ons zullen behandelen als ze de meerderheid hebben.6 Dat het daartoe al komen moest! Vroeger was er zo’n kwestie hoe de joden en de heidenen de christenen zouden behandelen. De christenen zijn hun te vlug af geweest, door de wereld te winnen. Volgens diezelfde methode moet het ook nu gaan. Uw arbeidsveld is zo belangrijk, dat er, kerkelijk en politiek, voor de toekomst alleen in die richting een gat in gezien kan worden. U schreef, dat er best plaats was voor vier evangelisatie-predikanten. Moet dat 4 niet 40 zijn?7 Ik vermoed een zetfout. Met hartelijke groet, uw belangstellende collega,
O. Noordmans.
(ABuskes)