Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 8. Lunteren

Weergave

850. O. Noordmans aan K.H. Miskotte

Lunteren, 6 mei 1949

Waarde Miskotte,

Dat je mij geschreven hebt over mijn opmerking ter Predikanten- vergadering,1 naar aanleiding van Smits’2 beroep op de scheppingsleer van Barth, kon ik natuurlijk verwachten. - Nu had ik mij misschien wat voorzichtiger kunnen uitlaten op deze grote vergadering. Maar de critiek, die ik op deze leer heb, was allerminst geïmproviseerd. Zij is al maanden lang bij mij wordende. En nu Smits zich daarop beriep, om de opvatting aan te dringen, dat er meer is in Jezus Christus dan de vernedering, om zo ruimte te maken voor contacten met de moderne mens, moest ik wel in de paar seconden, die de voorzitter mij toestond voor mijn opmerking, in alle haast dat voetenbankje onder zijn positie wegtrappen. - Ik hoop nog eens gelegenheid te hebben mijn bezwaren tegen deze leer van Barth wat breder te formuleren dan het mij in dat snelvuurdebat mogelijk was. Iets daarvan heb ik al gezegd op blz. 64 van mijn pas verschenen catechismus-deeltje,3 dat je wel van Callenbach ontvangen zult hebben. Dat is de analogia relationis,4 waarover je schrijft.- Maar de hele opzet van deze leer der Schepping is mij te monistisch, als ik het zo noemen mag. Barth heeft sommige motieven uit zijn Römerbrief hier weer opgenomen, motieven die hij nooit helemaal heeft losgelaten, maar die elders niet zo opzettelijk worden ontwikkeld. Hier echter heeft Barth er zich toe gezet en zo is er ontstaan wat mij aandoet als een soort maakwerk. Wanneer hij zich daarvoor soms op Kohlbrugge beroept, dan geloof ik dat hier een metabasis eis allo genos5 aanwezig is. Bij Kohlbrugge is het veel paulinischer. Een theologie die zo sterk van het begin uit denkt en spreekt, kan ik moeilijk meemaken. Ongetwijfeld heeft Barth een geniale exegese gegeven van Genesis 1 en 2. Maar die uitlegging is - als ik mijn mening voluit mag zeggen - te scholastisch. Zij doet beide, rationaliseren en mystificeren, zo wordt mij bijv. het gegeven der schaamte veel te veel verzedelijkt. En zo andere dingen navenant. Maar, zoals ik zei, ik zou uitvoeriger rekenschap moeten geven van mijn bezwaar en, als ik gelegenheid en gezondheid mag hebben, hoop ik dat nog wel eens te doen. Dat mijn uiting op de predikantenvergadering de collega’s er toe zou brengen zich ontslagen te rekenen van kennisname van Barth’s scheppingsleer, geloof ik niet. Te Arnhem spreek ik eens per maand over deze leer in een kring van 25 meest jongere predikanten, nu al enige maanden.6 Ik geef daar ook mijn critiek, maar de belangstelling wordt daardoor niet verminderd, doch verhoogd. Met hartelijke groet,

O. Noordmans.

(AKHM)

Noten

  1. 1

    Zie brief nr. 848 (28.4.1949), n. 1.↩

  2. 2

    P. Smits (geb. 1906), herv. pred. o.a. te Havelte 1937, Huizum 1939 en Enschede 1947, buitengewoon hoogleraar te Leiden 1959, gewoon hoogleraar pastorale sociologie aldaar 1965-1976.↩

  3. 3

    Het Koninkrijk der Hemelen. Toelichting op de zondagen VII tot XXII van den Heidelbergsen Catechismus (Nijkerk 1949), 64, VW 2, 467v.: ‘Daarmee is gezegd, dat de mens in Gods Koninkrijk thuis hoort, in een rechts- en heiligheidsorde. Daarom acht ik het ook een kapitale fout in de Kirchliche Dogmatik van Barth, als hij dezen trek in het beeld Gods in de mens afwijst en daarvoor in de plaats stelt een vormelijke overeenkomst met het goddelijk Wezen, het bestaan in een relatie, wat dan bij den mens plaats vindt in de betrekking van man en vrouw (KD III/1, 225; red.). Bij de prediking, ook der Schepping, gaat het niet om de vormen, maar over de oordelen Gods (NGB, art. 13); over zijn koningschap en verkiezing.’↩

  4. 4

    Lat.: overeenkomst van betrekking.↩

  5. 5

    Gr. μεταβασισ εισ αλλο γενοσ = overgang naar een andere soort.↩

  6. 6

    Zie brief nr. 835 (1.1.1949), n. 1.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 849. A.A. van Ruler aan O. Noordmans8. Lunteren851. K.H. Miskotte aan O. Noordmans →