Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 8. Lunteren

Weergave

857. O. Noordmans en G.J. Scholten1 aan de Algemene Synodale Commissie

Werkgroep Kerk en Overheid

De secretaris van de Algemene Synodale Commissie heeft een schrijven van prof.dr. M.J. Langeveld2 te Utrecht van 16 maart 1949 gesteld in handen van de Werkgroep Kerk en Overheid met het verzoek om advies. In dit schrijven maakt prof. Langeveld zich tolk van hen, in het bijzonder militairen in Indonesië, die in gewetensconcflict geraken doordat hen handelingen bevolen worden die zij in strijd met hun geweten achten. Zij menen dat ook voor hen, althans in de praktijk, de regel ‘Befehl ist Befehl’ geldt, dus kadaverdiscipline gevraagd wordt, waardoor de stem van het geweten gesmoord wordt. Onze Werkgroep wil vooropstellen, dat naar Nederlands recht een absolute algemene gehoorzaamheidsplicht niet geldt. De Zeekrijgsraad te Soerabaja heeft dit erkend. En het is de Werkgroep bekend dat de Nederlandse militairen kadaverdiscipline niet wordt geleerd. De moeilijkheid, die door algemene voorschriften niet weggenomen kan worden, is dat toetsing van het beleid van de meerdere, die het bevel geeft, door de mindere niet kan worden toegestaan. Als dat geoorloofd zou zijn, zou de overheid haar roeping niet kunnen vervullen, zou ieder onderdaan immers, en in casu dus ook iedere soldaat, op de stoel der overheid gaan zitten. De plicht tot gehoorzamen moet voorop blijven staan en uitermate zwaar blijven wegen. Anderzijds zijn er toch grenzen. Het deed de Synode vreugde dat zij tijdens haar beraadslagingen mocht vernemen, dat de Regering zich eveneens op dit standpunt stelt. Bij het schriftelijk antwoord van de Minister-President3 en de Minister van Overzeese Gebiedsdelen a.i.4 van 2 juni 1949 ten vervolge op de beantwoording van de vragen van de heren Van der Goes van Naters5 en Vorrink6 betreffende de veroordeling van drie mariniers in verband met hun weigering tot het gehoor geven aan het bevel tot platbranding van een kampong (zie aanhangsel tot het Verslag van de Handelingen der Tweede Kamer 1949, nr. 121, vel 82-167), heeft de Regering uitgesproken dat een kadavergehoorzaamheid niet geëist wordt en de uitvoering van een bevel geweigerd mag en moet worden, wanneer dit duidelijk in strijd met het Nederlands recht of het Volkenrecht is; bij twijfel primeert echter de gehoorzaamheidsplicht. Het komt de Werkgroep raadzaam voor dat de Generale Synode op dit antwoord ingaat, en wel om tweeërlei reden. Ten eerste is dit gewenst om de juistheid van dit standpunt te onderstrepen, opdat de overtuiging van volk en overheid, dat het recht zo is, versterkt wordt. De Werkgroep wil alleen aantekenen, dat met het primeren van de gehoorzaamheidsplicht bij twijfel, gedacht moet worden aan twijfel bij de ontvanger van het bevel, bij subjectieve twijfel dus, niet aan twijfel over het recht. De rechter mag daarin immers nooit blijven staan. Ten tweede om een element dat in dit antwoord niet duidelijk tot uiting komt, te belichten en dusdoende te trachten de Kerk en het volk iets van het licht te tonen, dat de kerk haar als van Godswege geschonken gelooft. Het is een kwaad ding iets tegen het geweten te doen. De Kerk heeft dit altijd erkend omdat de plaats waar God zijn schepsel toespreekt zijn geweten is. En men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. Ook weet de Kerk van het dwalend geweten. Het recht nu laat plaats voor de ernstige stem van het geweten. De dienstweigeringswet is daarvan een voorbeeld. Naar de mening van de Werkgroep laat het Nederlands recht niet alleen incidenteel in bepaalde wetten plaats voor het gebod van het geweten, maar kan zulk een gebod ook in feite betekenen, dat de betrokken mens door ‘overmacht’ gedwongen is, zo te handelen als hij deed, en wel door overmacht in juridische zin, overmacht dus die een schulduitsluitingsgrond is, zodat de betrokkene niet gestraft kan worden. De Werkgroep zou het een zeer gelukkige ontwikkeling vinden indien op deze wijze het waarachtig ernstige gewetensgebod door de Nederlandse rechtspraak zou worden erkend. De moeilijkheid voor de rechter om uit te maken of iemand werkelijk krachtens een waarachtig en ernstig gebod van het geweten gehandeld heeft, en dit niet slechts wil suggereren, is een moeilijkheid zo als zijn ambt wel meerdere meebrengt. Denk bijv. aan het bepalen van de juiste strafmaat en aan de vraag of ’t bewijs is geleverd, waarbij geldt: in dubiis pro reo.7 Het is op deze gronden dat de Werkgroep ‘Kerk en Overheid’ de Generale Synode adviseert volgens bijgaand concept8 aan de Regering te schrijven en volgens mede bijgaand concept de Kerkeraden en wie de Synode nuttig zal oordelen, daarvan in kennis te stellen.

G.J. Scholten.

O. Noordmans.

(ANHK)

Noten

  1. 1

    G.J. Scholten, zie brief nr. 609 (19.10.1938), n. 19.↩

  2. 2

    M.J. Langeveld, hoogleraar pedagogie RUU.↩

  3. 3

    Ministerpresident: W. Drees (1886-1988), politicus, kamerlid voor de SDAP en later van de P.v.d.A., minister van sociale zaken 1945-1948 en premier 1948-1958..↩

  4. 4

    Minister van overzeesche gebiedsdelen a.i.: J.H. van Maarseveen (1894-1951).↩

  5. 5

    Jkhr. M.M. de Goes van Naters, lid van de Tweede Kamer en fractievoorzitter P.v.d.A. (geb. 1946).↩

  6. 6

    J.J. Vorrink (1891-1955), lid van de Tweede Kamer (1946-1955), voorzitter van de P.v.d.A.↩

  7. 7

    Lat.: bij twijfel is het ten gunste van de beklaagde.↩

  8. 8

    Het stuk van Dr. Noordmans en Mr. Scholten werd enigszins bijgewerkt aan de kerkeraden toegezonden. Op een aantal plaatsen is men vergeten ‘Werkgroep’ te vervangen door ‘Synode’.

    Generale Synode aan de kerkeraden van de NHK. ’s-Gravenhage, juli 1949

    Aan de kerkeraden van de Nederlandse Hervormde Kerk.

    De Generale Synode stelt het op prijs u te doen weten, dat zij zich tot de Raad van Ministers heeft gewend naar aanleiding van vragen die haar hebben bereikt van lidmaten, die als militairen in Indonesië zijn en die menen dat hun bevelen zijn gegeven, die zij in strijd met hun geweten achten. Zij menen dat voor hen, althans in de praktijk, de regel ‘Befehl ist Befehl’ geldt, dus kadaverdiscipline gevraagd wordt, waardoor de stem van het geweten gesmoord wordt. Onze Synode wil vooropstellen dat naar Nederlands recht een absolute gehoorzaamheidsplicht niet geldt. De Zeekrijgsraad te Soerabaja heeft dit erkend. En het is de Werkgroep bekend dat de Nederlandse militairen kadaverdiscipline niet wordt geleerd. De moeilijkheid, die door algemene voorschriften niet weggenomen kàn worden, is dat toetsing van het beleid van de meerdere, die het bevel geeft, door de mindere niet kan worden toegestaan. Als dat geoorloofd zou zijn, zou de overheid haar roeping niet kunnen vervullen, zou ieder onderdaan immers, en in casu dus ook iedere soldaat, op de stoel der overheid gaan zitten. De plicht tot gehoorzamen moet voorop blijven staan en uitermate zwaar blijven wegen. Anderzijds zijn er toch grenzen. Het deed de Synode vreugde dat zij tijdens haar beraadslagingen mocht vernemen dat de Regering zich eveneens op dit standpunt stelt. Bij het schriftelijk antwoord van de Minister-President en de Minister van Overzeese Gebiedsdelen a.i. van 2 juni 1949 ten vervolge op de beantwoording van de vragen van de heren Van der Goes van Naters en Vorrink betreffende de veroordeling van drie mariniers in verband met hun weigering tot het gehoor geven aan het bevel tot platbranding van een kampong (Zie Aanhangsel tot het Verslag van de Handelingen der Tweede Kamer 1949, nr. 121, vel 82-167), waarbij de Regering heeft uitgesproken dat een kadavergehoorzaamheid niet geëist wordt en de uitvoering van een bevel geweigerd mag en moet worden wanneer dit duidelijk in strijd met het Nederlands recht of het Volkenrecht is. De Regering stelt voorts dat bij twijfel de gehoorzaamheidsplicht primeert. De Synode heeft het raadzaam geacht op dit antwoord in te gaan, en wel om tweeërlei reden. Ten eerste is om de juistheid van dit standpunt te onderstrepen, opdat de overtuiging van volk en overheid dat het recht zo is, versterkt wordt. De Werkgroep wil alleen aantekenen dat met het primeren van de gehoorzaamheidsplicht bij twijfel, gedacht moet worden aan twijfel bij de ontvanger van het bevel, bij subjectieve twijfel dus, niet aan twijfel over het recht. De rechter mag daarin immers nooit blijven staan. Ten tweede om een element dat in dit antwoord niet duidelijk tot uiting komt, te belichten en dusdoende te trachten de kerk en het volk iets van het licht te tonen dat de kerk haar als van Godswege geschonken gelooft. Het is een kwaad ding iets tegen het geweten te doen. De Kerk heeft dit altijd erkend omdat de plaats waar God zijn schepsel toespreekt zijn geweten is. En men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. Ook weet de Kerk van het dwalend geweten. Het recht nu laat plaats voor de ernstige stem van het geweten. De Dienstweigeringswet is daarvan een voorbeeld. Naar de mening van de Synode laat het Nederlands recht niet alleen incidenteel in bepaalde wetten plaats voor het gebod van het geweten, maar kan zulk een gebod ook in feite betekenen dat de betrokken mens door “overmacht” gedwongen is, zo te handelen als hij deed, en wel door overmacht in juridische zin, overmacht dus die een schulduitsluitingsgrond is, zodat de betrokkene niet gestraft kan worden. De Synode zou het een zeer gelukkige ontwikkeling vinden indien op deze wijze het waarachtig ernstige gewetensgebod door de Nederlandse rechtspraak zou worden erkend. De moeilijkheid voor de rechter om uit te maken of iemand werkelijk krachtens een waarachtig en ernstig gebod van het geweten gehandeld heeft, en dit niet slechts wil suggereren is een moeilijkheid zoals zijn ambt wel meerdere meebrengt. Denk bijv. aan het bepalen van de juiste strafmaat en aan de vraag of het bewijs is geleverd, waarbij geldt: in dubiis pro reo.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 856. O. Noordmans aan F.L.S.F. Baron van Tuyll van Serooskerken8. Lunteren858. O. Noordmans aan J.J. Buskes →