899. H. Berkhof1 aan O. Noordmans
Driebergen, 21 juli 1951
Hooggeachte dr. Noordmans,
U bent enige dagen geleden 80 jaar geworden. Eerst dacht ik, dat die mededeling een drukfout bevatte. Noordmans nu al 80 jaar?! Maar het is u net vergaan als Vondel, wiens ontplooiing laat begon en heel laat eindigde. Nu houdt u ons al 30 jaar bezig met uw publicaties en we hebben nog allerminst het gevoel - zoals we dat bij de publicaties van vele jongeren hebben - dat u uitgesproken bent. Zelf heb ik aan u veel meer te danken dan ik hier kan uitdrukken. De lectuur van Herschepping heeft een keerpunt in mijn denken betekend (ik heb het viermaal gelezen) en mij de moed gegeven om toch maar predikant te worden. Uw Geestelijke Perspectieven hebben mijn theologiseren jarenlang begeleid. Uw stuk over de toekomst der ethische theologie2 kende ik bijna uit mijn hoofd. Nu ben ik uw beschouwing over Romeinen 73 aan het lezen en herlezen, zoals ik dat de laatste jaren ook met “Woord en sacrament” uit Liturgie4 heb gedaan. Ik zou nog veel meer kunnen noemen. Maar u kunt nu vermoeden, hoe dankbaar ik ben, dat we een Noordmans hebben en dat we hem nog hebben. Veel van wat u schrijft zal pas in komende decenniën dieper in het algemeen-theologisch denken doordringen. Voorlopig kunnen we nog niet zonder u. Maar God kan het anders beschikken. Laat ik dus liever zeggen: wat ben ik blij, dat wij al zolang de kans hebben gekregen om van u te profiteren. Voor het verdere van uw levensavond hoop ik, dat deze periode ons ook verder vruchtbaar mag zijn, en wens ik u persoonlijk een steeds dieper ingroeien toe in die werkelijkheid die u straks schouwen moogt. Met de meeste hoogachting en hartelijke groet, uw
H. Berkhof.
(AN)