900. H.M.J. Wagenaar1 aan O. Noordmans
’s Gravenhage, 28 juli 1951
Waarde kerkvader Noordmans,
Vanochtend zag ik in de Waagschaal,2 dat gij uw tachtigste verjaardag hebt gevierd. Mag ik nog mijn gelukwensen bij de vele voegen, die gij al ontvangen zult hebben? Welk een voorrecht, deze mijlpaal te mogen bereiken en dan zo vitaal. Het lijkt mij ook heerlijk, dat gij de consolidatie van de reorganisatie onzer kerk hebt gezien, hoe men over onderdelen van de kerkorde ook moge oordelen. Het kan mij dikwijls spijten, dat mijn vader3 dit niet heeft beleefd. Het heeft mij altijd verheugd, dat ik u heb mogen ontmoeten. De jurist in mij moge u menigmaal kippevel bezorgd hebben, maar mijnerzijds heb ik altijd genoten van de dagen, dat gij met ons in Nunspeet4 waart en ons met uw jonge geest en heerlijke humor hebt verkwikt en de wijdheid van hemel en aarde voor ons deed opengaan. Met een hartelijke groet, ook voor mevrouw, gaarne uw toegenegen
H.M.J. Wagenaar.
(AN)