903. O. Noordmans aan K.H. Miskotte
Lunteren, 11 september 1951
Waarde Miskotte,
Je brief van 17 juli j.l., bij mijn 80ste verjaardag,1 is wel lang onbeantwoord gebleven. Er waren er verscheidene en ik wilde ze niet per kaart afdoen. Nu ik mijn vrienden en kennissen minder vaak ontmoet, was het een mooie gelegenheid om weer even contact op te nemen. Zo kwam het dat de brieven, die het zwaarst wogen, onderin de stapel kwamen te liggen. Ik meende telkens dat ik een nog rustiger ogenblik moest afwachten, om ze te beantwoorden. Voor je gelukwensen op 18 juli dank ik je zeer hartelijk. En tegelijk voor het artikel, dat je toen in In de Waagschaal hebt gegeven.2 Zij waren zo - ja, welk woord zal ik gebruiken - zo priesterlijk, zegenend, uitdelend, toedelend, dat ik ook daarom niet dadelijk kon schrijven. Ik zat dankbaar, maar ook verlegen te kijken naar wat mij werd toegelegd. En het was mij alsof het niet bestemd was om toegeëigend te worden, maar om ook weer uitgedeeld en toegedeeld te worden. Ja, dat zal het rechte gebruik van deze dingen zijn. Het enige gebruik, waarbij men er rijker en ruimer van wordt. Maar dit is dan ook het heerlijke van deze ervaringen, dat men weer duidelijk merkt, hoe er een gemeenschap bestaat. Men mag het noemen zoals men wil: van heiligen of van zondaren of neutraal van mensen, er is gemeenschap. Iedere hartslag is tegelijk een aanslag. Hij geeft een toon, die wij beter en zuiverder kunnen beluisteren bij anderen, dan bij onszelf. Alleen dat kan ons gezond, kan ons zalig maken. Dat is Bach; dat is Christus. Iedere ritseling van leven vindt ergens weerklank. Ieder woord reverbereert op de een of andere wijze. God zet de eenzamen in een huisgezin. Dat is de zegen, die Hij ons schenkt. Wij hadden een goede dag, met familie en enige kennissen. Mijn gezondheid was deze zomer zeer bevredigend. Behoudens een siësta kan ik de hele dag op zijn en meestal ook op de een of andere wijze bezig zijn. Met ouderdom ben ik, bij mijn eigen weten, nog niet in aanraking geweest. Moet dat nog komen? Ik betwijfel het. Ik merk het alleen in deze zin, dat er steeds meer jongeren in jaren achter mij ontstaan. En dat er steeds minder ouderen in jaren voor mij overblijven. Met zulke statistische overwegingen houd ik mij echter zelden bezig. Met hartelijke groet, uw
O. Noordmans.
(AKHM)