897. K.H. Miskotte aan O. Noordmans
Leiden, 17 juli 1951
Zeer vereerde Noordmans,
Het is mij onzeker geworden of het goed is morgen naar Lunteren te komen.1 Dat het, naar uw dochter mij schreef,2 slechts een kort bezoek zou kunnen zijn, telt niet als een bezwaar. De vrees is, dat het u, wanneer er bijv. twintig mensen zo over denken als ik en zelf willen komen en u zien en u de hand drukken, zeker te veel vermoeien zal. Ik wil ook niet zien, dat u zich zou moeten ophouden en groothouden uit reverentie voor deze welmenende maar toch hoogst onpraktische bezoeken. Hoe het ga, het is in mijn hart geweest om u op deze dag als vader en broeder van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten. Er is voor zoveel te danken. Nog dagelijks word ik gesticht door uw heerlijke meditaties; ik krijg er nooit genoeg van. En telkens komen passages uit uw wetenschappelijk werk mij voor de geest, die mij vol toekomstmuziek schijnen; die eenvoudige, onstoffelijke fluit van dit betoog lokt tot een nieuwe weelde-van-kennis ons verder uit ons zelf en uit onze vaderlandse, enz., historie vandaan. Maar misschien is dit niet de meest passende materie voor deze uw verjaardag. U bent mij zo nabij gekomen; u hebt mij priesterlijk begeleid, u hebt mijn arme, aangevochten hart door uw persoonlijke brieven gebalsemd en de koorts der verwarring doen dalen. Telkens hebt u zich aangepast aan een jongere, wiens aard en gedrag u niet ligt, die veel te druk, veel te slordig, veel te voorbarig en ook wel eens indringerig geweest is. Zie, u hebt mijn ongeduld met zoveel mild geduld (mild, want er is ook een hautain geduld) bejegend, dat het herdenken daarvan op deze dag mij met ontroering vervult. God gaf u tot een biechtvader aan deze altijd-jonge, abundante zondaar. Deze brieven worden niet alleen bewaard; ze zijn ook apart geborgen en als verzegeld met de belofte, dat ze nog vaak tot mij spreken zullen, als ik weer zal zijn verslagen en als-vernietigd op de aarde en in angst voor wat Christus’ toekomst voor mij zal zijn. Wat ons in october 1946 overkomen is,3 u hebt het weliswaar ook niet trachten uit te spreken, uit schroom, maar ik had toch de indruk, dat u alleen van de helse vervaardheid van zulk een martelhuis en geselkelder enig vermoeden had. - Ik ben, naar de mens, nooit zo eenzaam geweest als toen - en dit eenzaam-zijn raak ik nooit meer kwijt. En nu stel ik mij voor, lieve vader en broeder, dat gij zo zijt, dat gij anders gevormd zijt door de adem van de Geest, dat gij dit pastoraat aan vele anderen hebt uitgeoefend, dat gij langs het leed van velen zijt gegaan zonder het aan te raken, als een koelte, als een geur, die verkwikking bracht - nu stel ik mij voor, hoe de kracht daarvan uitstraalt in de harten van de anderen, die ik ken als ‘onbekenden en nochtans bekend’, het maakt mijn blijdschap op deze herdenkingsdag volkomen - kerkelijk, hoogkerkelijk. Wij hopen, dat het u gegeven wordt nog bij uw gelieven een tijd te vertoeven, wij hopen, dat u nog iets kunt opdelven uit de mijn van uw geest - maar ach, het zou zo jammer zijn, als u vandaag er menselijk niet diep van doordrongen waart, dat er ouderen en jongeren zijn, die u, al komt er geen woord en geen letter meer, voor altijd danken, danken en nog eens danken. Vorige week hoorde ik - voor de zoveelste maal - dit keer op het Holland Festival te Scheveningen: de IIde Symphonie van Mahler4 - bij de ingevoegde alt-solo: o glaube, mein Herz, o glaube es geht dir nichts verloren hast nicht umsonst gelebt, gelitten dein ist, was du gesehnt dein was du geliebt, was du entrissen - moest ik plotseling sterk aan u denken. Vandaag zingt de sopraan uit de VIIIe5 door mijn overwegingen heen de bede: Imple superna gratia quae tu creasti pectora.6 Met hartelijke groet aan u en al de uwen, uw dw.,
K.H. Miskotte.
(AN)