Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 8. Lunteren

Weergave

908. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel1 aan O. Noordmans

Utrecht, 17 oktober 1951

Waarde Noordmans,

Vriendelijk dank voor je brief naar aanleiding van deze onderscheiding2 - ik hoop, dat het aan de oecumenische beweging ten goede komt - zelf ben ik op zoiets niet gebrand. Voor de maatschappij heb ik nimmer iets gedaan, hoogstens iets voor de kerk en onze kerk, en dat is waarlijk zoveel niet. ‘1948 Amsterdam’3 is behandeld door de stad zelf, inzonderheid door mr. Mulderije;4 en wat de kerkorde betreft, slechts een enkele vergadering was wat moeilijk, b.v. die van de ondertekening; overigens was het een genoegen en zelf deed ik er niet veel. Wat het hoogleraarschap betreft, schrijf ik je beschaamd en ik ben dankbaar daar eens gelegenheid voor te hebben. Wij waren concurrenten:5 jij was de theoloog, ik was alleen maar dominee. Waarom heb ik me toen niet teruggetrokken? Ik dacht toen zelf al niet jong meer te zijn en je bent elf jaar ouder en dat heb ik in mijn gedachten laten gelden. Nu ben je tachtig en hebt sinds 1935 een massa zeer waardevol theologisch werk geleverd - en ik ben hoogstens voor deze en gene een beetje studentenvader geweest. Je had toen nog 6 jaar kunnen doceren op een wijze, zoals het je gegeven is. Ik ben daar nog immer beschaamd over. Het verblijdt me zo, dat je na je ernstige ziekte, nu minstens een jaar geleden, weer zozeer bent opgeleefd, dat velen met mij er nog dankbaar van profiteren. Met eerbiedige hartelijke en vriendschappelijke groet, tt.

S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel.

(AN)

Noten

  1. 1

    S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, zie brief nr. 415 (27.4.1932), n. 3.↩

  2. 2

    Brief van ON niet bekend. Berkelbach werd op 29.9.1951 benoemd tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.↩

  3. 3

    Berkelbach doelt op de oprichting van de Wereldraad van Kerken, waar hij nauw bij betrokken was.↩

  4. 4

    H. Mulderije (1896-1970), advocaat te Amsterdam, minister van justitie maart 1951-september 1952 in het tweede kabinet Drees, in de jaren ’30 lid Kerkherstel, diende de NHK. talloze malen met juridische adviezen.↩

  5. 5

    Berkelbach zei bij zijn ambtsaanvaarding te Utrecht tegen de vertegenwoordigers van de Algemene Synode: ‘Bekwame dogmatici zijt gij voorbij gegaan om mij tot deze plaats te roepen; eerbiedig heb ik uw besluit aanvaard; het kan nuttig en nodig zijn om, weer in een nieuw milieu, heel klein te beginnen. Niet anders dan toen ik voor meer dan dertig jaren hier groen en verlegen aan deze academie verscheen, gevoel ik me nu; niet anders dan toen ik als onbeholpen proponent in mijn eerste dorp een van onze meest begaafde predikers moest opvolgen. Maar het gaat u om de kerk. Heeft die het nodig, dat er hier een gesteld wordt, die zich niet verbeeldt, dat hij het weet, veeleer, dat hij het niet weet? Heeft de kerk het nodig, dat er in deze tijd een werd opgeroepen, niet uit de stille studeerkamer, maar zozeer uit de praktijk, dat men bijna zou kunnen zeggen, van de straat? Gij hebt geoordeeld, dat het zo moest. Met vrezen en beven zullen deze vakken worden gedoceerd...’ Over de verkondiging (Inaugurele oratie RUU 1935), 24v.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 907. O. Noordmans aan H.C.J. van Deelen8. Lunteren909. K.H. Miskotte aan O. Noordmans →