Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B · 8. Lunteren

Weergave

907. O. Noordmans aan H.C.J. van Deelen1

Lunteren, 11 october 1951

Waarde collega van Deelen,

Dit is, uit canoniek oogpunt, een belangrijke zaak.2 En zo ‘sneu’, zouden de Groningers zeggen, voor de vicarie te Tuil. Foei, dat zou toch te erg zijn. Is het zo zeker dat het vastleggen van een bestaande praktijk geen vervreemding kan zijn? Als een usance gebroken kan worden en een gecontracteerde usance niet, kan daarin dan geen vervreemding schuilen? Mag een beheerder zulke ingrijpende dingen doen met de goederen, waardoor zij, zoals nu blijkt, het hele vruchtgebruik aan een of andere instelling afstaat? Daar zit toch nog wel een haak en een oog tussen, voordat zulks een uitgemaakte zaak is. De school was vroeger een kerkelijke, later een gemeentelijke openbare school, thans een school voor C.V.O. Tellen zulke evoluties in rechten helemaal niet mee? Ik begrijp de positie van die school nog niet. Toen zij kerkelijk was, kon zij natuurlijk uit een fonds als de vicarie gesteund worden. Maar ging dat door, toen het een openbare school werd en heeft men toen gecontracteerd? En wat is het dan nu? Een school voor C.V.O.,3 die van de burgerlijke gemeente uitgaat? Ik begrijp dat niet en zou er graag iets meer van weten. U schrijft, dat de oorspronkelijke bestemming een bepaalde genoemd kan worden, maar dat de bestemming na de hervorming zwevend is geworden. Inderdaad, enigszins zwevend, want toen waren er geen vicarissen meer. Maar is zij toen helemaal gaan zweven? Dat zie ik nog niet. De beneficiën waren te onderscheiden als beneficia curata en beneficia simplicia.4 De eerste waren belast met de cura animarum, de zielzorg. Daartoe behoorden de pastorieën en de vicarieën. Uit de laatste werd de hulpprediker betaald. Zij werden bij de reformatie vacant. In Friesland stelden de Staten in 1580 bij resolutie vast, dat de inkomsten van vacante beneficiën moesten worden gebruikt voor kerkelijke doeleinden en niet ‘in privatim et secularum usum’.5 Daarmee werden pastorieën en vicarieën bedoeld; voor de beneficia simplicia golden andere bepalingen. De Staten schreven voor dat de opbrengst der vicarieën in de eerste plaats moest dienen tot stijving van de predikantstractementen. Verder voor het onderhoud van schoolmeesters en ten slotte voor de armen. Behalve deze twee laatste pii usus, waren andere pieuze doeleinden niet uitgesloten. De bedoeling was echter om ze zoveel mogelijk aan de oude bestemming te doen beantwoorden. Van Apeldoorn,6 aan wie ik deze gegevens ontleen, schrijft, dat de pastorieën en kosterieën na de reformatie werden bezet, doch de vicarieën, om begrijpelijke, redenen niet. Hij meent: ‘Toch hadden zij door de reformatie hare bestemming niet verloren, die immers in ’t wezen der zaak dezelfde was als die van de pastorieën.’ De Staten eerbiedigden zoveel mogelijk het beheersrecht der gemeenten. En zo kwam ’t lot der vicarieën feitelijk in handen der gemeente. ‘In hare rechtspositie’ - aldus Van Apeldoorn - ‘kwam dus geen verder wijziging dan die, welke voortvloeiden uit ’t verbod van de katholieke religie.’ Geen nieuwe kapelaan. ‘Volgt hieruit, dat de vicarieën hare bestemming verloren? Ik meen van niet’ (Van Apeldoorn). De bestemming werd alleen gewijzigd. Zij waren nu bestemd voor de overblijvende zielzorgers: de predikanten. Zo wilden het de Staten van Friesland in resoluties in 1583 en 1587. De gemeenten beriepen echter zelden een tweede predikant. De Staten hadden ze met de pastoralia kunnen verenigen of er een nieuwe bestemming aan geven. Zij deden geen van beide. Een synode te Harlingen, in 1617, vroeg hen om ’t eerste te doen, daar de vicarii ook zielzorgers waren geweest. Maar de Staten lieten ’t over aan de gemeenten, ‘mits de vicariegoederen maar niet werden gebruikt voor andere dan kerkelijke doeleinden’ (Van Apeldoorn). Zo werd de opbrengst door kerkvoogden ‘schier overal’ (Van Apeldoorn) in de kerkekas gestort. Zo ging ’t met al de vicarieën in Hennaarderadeel (Itens, Oosterend, Wommels, Cubaard, Welsrijp). In enkele parochies gaf de gemeente de vicarie in beheer en gebruik aan de koster-schoolmeester. In Friesland is dus de bestemming gebleven; alleen gewijzigd. Er is weinig te merken van ‘zweven’. In Holland liggen de dingen wel anders, maar liggen ze daar totaal anders? Ik kan dat niet geloven. Dat Tuil is een gek geval. Als een school kerkelijk is, dan is er geen plaats voor een contract binnen de pius usus. En als hij openbaar wordt, valt hij toch buiten de pius usus. En wat is een openbare school voor C.V.O., door de burgelijke gemeente gedreven??? Gelooft gij niet met mij, dat hier nog wel een speld tussen te krijgen is? Wat zou kantoor Stoop7 te Leeuwarden er van zeggen of Meijers8 te Leiden? Dit is te ‘sneu’. Wilt ge mij, zo mogelijk, nog verder uit de droom helpen, vooral ook over die C.V.O.? Met collegiale groeten,

O. Noordmans.

(ABNP)

Noten

  1. 1

    H.C.J. van Deelen, zie brief nr. 466 (2.8.1934), n. 8.↩

  2. 2

    Zie brief nr. 905 (20.9.1951), n. 3.↩

  3. 3

    Christelijke School voor Volksonderwijs.↩

  4. 4

    Lat.: bestuurde privileges en afzonderlijke privileges.↩

  5. 5

    Lat.: voor persoonlijk en wereldlijk gebruik.↩

  6. 6

    L.J. van Apeldoorn (1886-1979), diss. De kerkelijke goederen in Friesland (2 delen 1915/1921).↩

  7. 7

    Advocatenkantoor te Leeuwarden. Mr. Stoop was juridisch adviseur van ON toen deze in conflict was met de kerkvoogdij te Suameer.↩

  8. 8

    E.M. Meijers (1880-1954), vooraanstaand Nederlands rechtsgeleerde.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 906. O. Noordmans aan H.C.J. van Deelen8. Lunteren908. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel aan O. Noordmans →