919. W.A. Hoek1 aan O. Noordmans
Rheden, 28 januari 1953
Zeer geachte collega Noordmans,
Al lang had ik u willen schrijven. Schrijven is hier = bedanken. En bedanken slaat dan op de reeks artikelen in In de Waagschaal, die mij een openbaring zijn. Begrijp mij in dezen goed. Ik weet, theoretisch en gelukkig ook empirisch, dat er de Openbaring is, en uit haar tracht ik te leven. Maar deze Openbaring vraagt om openbaring. Wij hebben een kerk en wij hebben ook doctores ecclesiae. Gij kunt wel schrijven ‘geef mij dan maar het Leger des Heils’2 - en ik ben dankbaar, dat ook deze vorm van christendom ons gegeven is - ik mag toch ook zeggen: ‘geef mij kerkelijke theologie’. In haar leeft de kerk. Een praktisch ding: ik vind, dat u zedelijk verplicht bent, artikelen als ‘Hervormde overpeinzingen’ uit te geven. Wat niet naar zijn wezen eendagsvlieg is, moet het ook niet naar de vorm zijn. Wat onze min of meer romaniserende theologen op dit alles zullen zeggen, de episcopale en de liturgische? Zij zijn m.i. inderdaad, ‘fundamentalisten’,3 maar iedere fundamentalist is geneigd dat te ontkennen. Ik ben u dankbaar, dat u ook zo eerlijk de kerkhistorie doet spreken. Dat is meestal zo’n vak apart, ver van de eigenlijke theologie. Maar zij behoort er vlak bij. Daar zal dezer dagen nog wel meer post los komen, want zojuist las ik in het Hervormd blad van een ‘jubilaris’.4 Dat was voor mij de stoot om gauw mij te ontboezemen. Met hartelijke groet aan u beiden, t.à.v.
W.A. Hoek.
(AN)