920. O. Noordmans aan R. Dijkstra1
Lunteren, januari 1953
...2 Wij waren zeer door dit plotseling overlijden aangegrepen, zo boven verwachting als door een wonder was ze onlangs als door de dood weer tot het leven teruggekeerd en je teruggegeven, en nu plotseling het omgekeerde. We weten het allen wel, dat bij het klimmen van de jaren, het leven nog onzekerder wordt dan het was, maar ons hart doet niet mee aan zulke berekeningen en weigert aan de mogelijkheid van scheiden te geloven. En het hart heeft gelijk. Vanmorgen in mijn bed, las ik in ’t boek van Helmut Gollwitzer,3 hoe de schrijver er met iemand, die de dood of slavernij tegemoet ging, over sprak, hoe klein de kring dergenen voor wie wij werkelijk van gewicht zijn eigenlijk wel is. Luitenant Hans had alleen zijn moeder, Helmut noemt nog een tweede, n.l. God, maar Hans kan dat niet geloven. Helmut zegt: laten we eerst zien, wat het zou betekenen als het waar was, en dan laat hij door een paar vragen Hans zelf uitbrengen, dat het zou betekenen dat we ook voor God van betekenis of gewicht zijn. Dat is een heerlijke waarheid, vol troost voor het verslagen gemoed. God blijft zich om je bekommeren, al kan je vrouw op aarde het niet langer doen, nog evenzeer blijft er een oog op je letten en een hand voor je zorgen en een hart je liefhebben. Ook wij verliezen uit de kring onzer vrienden een figuur van betekenis, je vrouw had sommige eigenschappen, die men niet altijd aantreft en ze zei en deed soms dingen, die men niet vergeet...
O. Noordmans
(ADijkstra)