496. G. van der Leeuw1 aan O. Noordmans
Groningen, 22 januari 1935
Amice,
Ik geloof toch, dat de zaak in orde moet komen. Je kent Brouwer beter dan ik, en zijn bijna fanatieke eerlijkheid. Hij heeft mij op Woudschoten verzekerd, dat hij persoonlijk jou liever had gehad. Maar hij meende nu eenmaal, dat hij niet anders kon doen dan leeftijd laten overwegen. Dat hij je waardeert, achtte hij zo vanzelfsprekend dat hij er geen woord over heeft gezegd. Denk - in het algemeen - toch vooral niet, dat men je niet waardeert. Ik had vanmiddag nog een gesprek over je met Aalders.2 Wij hebben beiden grote bezwaren tegen je theologie, maar als je gehoord had, wat ook van zijn kant over je rijkdom en oorspronkelijkheid van gedachten werd gezegd, zou je niet ontevreden behoeven te zijn. Je levensweg is nu eenmaal uitzonderlijk geweest en moeilijk. Het past mij niet om je tot lijdzaamheid aan te sporen. Je weet dat zelf wel, evenals je weet, dat ik sterk met je mede gevoel. Maar laat Brouwer niet boeten voor alles, wat in je leven misliep. Hij kan onhandig en ontactvol geweest zijn. Maar hij heeft je eerlijk gezegd, wat hij meende, dat je moest weten en van zijn waardering kun je overtuigd zijn. Hartelijk gegroet, t.t.
G. van der Leeuw.
(AN)