497. D. Tromp1 aan O. Noordmans
Zandvoort, 22 januari 1935
Hooggeachte ds. Noordmans,
’t Is veertien dagen al na de dag vol verwarring in den Haag. ’t Was ook eerst vandaag dat ik aan Berkelbach2 schreef. En ik schreef vanuit het bekende ‘providentia Dei, confusione hominum.’3 ’k Stel me voor dat op deze wijze zowel de kanon als de dogmata zijn vastgesteld. Maar tegelijk krijgen we dan enigszins een beeld van de confusio. Erbarmelijk gedoe. En wanneer een mens zich niet vastklemmen kan aan de providentia Dei, dan zou er voor ons besef niet veel anders overblijven dan het bekende sprookje verteld door een nar.4 Enigszins begrijp ik wat deze benoeming, die voor u betekende: passering, voor u betekent. Steeds genoemd, nooit benoemd. En dat nooit ziet er nu wel zeer definitief uit. Met deze benoeming heeft het dogma der ‘practijk’ het gewonnen van de vraag naar pastorale dogmatiek. De verblindheid wordt met de dag groter. Ik weet wel dat Berkelbach zich niet verzadigt aan gevoelens van suprematie. Daarvoor is hij te nobel. Temidden van zijn feestelijkheid zal hij u wel zien staan in de buitendeur, klaar om voor goed heen te gaan. Maar ondertussen blijft deze kerkelijke blindheid in haar onvermijdelijk gevolg in nog groter blindheid. Kerkherstel en Kerkopbouw schreeuwen en smeken en confereren dat de kerk weer kerk worde; en zij eten zich zat aan de zachte spijze der una sancta; maar zij begrijpen blijkbaar niet dat dit aan een universiteit betekent eerherstel der dogmatiek. Wel schreeuwen om de kerk. Maar met voorbijgang van het meest centrale vak. Ik klaag niet aan. Maar wie klaagt niet over de verharding der kerkelijke harten? Wanneer ik al de kerkelijke hoogleraren naast elkander zet, is er slechts één bij, die tenminste de betekenis der dogmatiek ziet; al weet ik niet of hij haar altijd dienen wil en begrijpt. Kerkherstel met zijn voorzitter geloven te zeer in de kwantiteit der dogmatische woorden, om de geheel eigenaardige harde kwaliteit voldoende te eerbiedigen. Maar goed, ’t gaat tenminste om dogmatiek bij prof. Haitjema. Maar verder? Practijk, synthese; amalgaam van pastoraal en dogmatiek zonder zelfs te vermoeden hoe broodnodig een pastorale dogmatiek is. Het theologisch gehalte b.v. van de schriftuur van prof. Brouwer is toch eigenlijk allerdroevigst. Het ene juweel van uw hand, dit Herschepping is van meer betekenis en omvat meer dan de gehele schriftuur onzer kerkelijke hoogleraren. - Dat ’t mij en meerderen enige rusteloze dagen heeft bezorgd, wilt u wel geloven. Maar, ’t ware ook wel een wonder geweest als de leden der hoge vergadering de nood der dogmatiek onder ’t oog hadden gezien. - Wat nu? Ja, wat moet ik nu zeggen? Ik hoop dat u nochtans het providentia Dei kunt laten gelden. En dat u uit uw eenzaamheid toch zult schenken wat u nog te geven heeft. ’t Is zo donker in de theologische wereld. En ’t verbaast mij niet dat de gnostiek van prof. van der Leeuw opgang maakt. Wij zijn zo ontredderd. In de vaart, in de neergang der ontreddering zijn uw kansen meegenomen. U zult behoren tot de irregulaire theologen. Maar, u heeft uw leerlingen die u onderkend hebben. En u dankbaar zijn en blijven; een dankbaarheid ontdaan van ieder studentengebaar. Maar allerlei jongeren die in de pastorale practijk teruggeworpen zijn, zullen zich blijven verheugen over uw aanwezigheid. Mijn Hollandse theologische ‘vader’ is u! Wij zijn u zoveel verschuldigd. Utrecht is u ontgaan. Maar leerlingen ontgaan u niet. - Ik hoop dringend dat u ons wilt blijven schenken; en dat deze sombere afsluiting niet betekenen zal dat u zich gaat isoleren. - Zodra ik in Velp kom, kom ik door naar Laren. Ontvang een hartelijke groet en een stevige hand van uw
D. Tromp.
(AN)