498. Ph. Kohnstamm1 aan O. Noordmans
Ermelo, 25 januari 1935
Hooggeachte heer Noordmans,
Mijn vorige brief2 en de uwe hebben zich gekruist. Ik vond uw schrijven van 17 januari zaterdagavond, toen ik thuis kwam. - Ik ben u zeer dankbaar, dat gij u daarin zo open uitspreekt en de moeilijkheden en pijnlijkheid wilt blootleggen. Immers, daaruit spreekt een groot vertrouwen. Wil mij geloven, dat ik dat weet te waarderen en dat ik bovendien hoop - en mag zeggen, enige gegronde hoop te hebben - , dat ik er toe kan bijdragen, u de overtuiging te geven, hoezeer uw werk en persoon in onze kring worden gewaardeerd en hoe gaarne men mee wil werken om dat ook naar buiten te doen uitkomen. Meer mag ik op dit ogenblik nog niet zeggen. Wel zou ik hier nog aan toe willen voegen, dat ik mij zo oprecht zou verblijden, wanneer ik er iets toe zou kunnen bijdragen, om de spanning, die er tussen Brouwer en u is ontstaan, te verminderen. Ik weet heel zeker, dat ook hij daaronder lijdt. Mocht gij mij enige vingerwijzing daartoe kunnen geven, dan houd ik mij zeer aanbevolen. In elk geval hoop ik u uiterlijk maandag 18 in onze reorganisatie-commissie weer de hand te mogen drukken. Met vriendelijke groet, steeds gaarne de uwe.
Ph. Kohnstamm.
(AN)