Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld. 1935-1945

Weergave
Passages naar Readwise sturen

500. K.H. Miskotte aan O. Noordmans

Haarlem, 9 februari 1935

Zeer vereerde Noordmans,

Sedert de debâcle,1 die ons trof, heb ik u niet meer geschreven, een zwijgen ontstond, dat het vermoeden rechtvaardigen zou in uw gemoed: ‘kijk, in het eerste moment gròte woorden, dàn is het weer vergeten!’ Neen, neen! dat ik niet meer schreef kwam naar de kleine kant van de dingen daarvandaan, dat ik nog antwoord op een paar vragen (o.a. het nationale in het gereformeerde)2 verwachtte, terwijl ik tegelijk wel begreep, dat u er onder de gegeven omstandigheden weinig lust toe hebben zoudt - maar naar een wezenlijker peiling kòn ’k niet schrijven, omdat ’k niet wist wat en wèl wist hoe; wàt zou ik u nog zeggen? Maar o! hoe warm en overtuigend zou het moeten zijn. Toch was er voortdurend één ding, dat ik apart hield om het vroeg of laat àf te vuren. En nu is het zover. De explosie volgt, door de indruk van gisteren - bij Barth in Utrecht.3 Iedereen was er, maar Noordmans niet. Nu kan het zijn, dat het voor u niets nieuws bevatte, maar dat gold ook voor anderen. Het kan ook zijn, dat u verhinderd was. Het kan zijn, dat u sommige heren liever niet zoudt ontmoeten. Maar ik miste u en ik dacht: zou dit een symptoom zijn, dat hij zich voortaan terugtrekt? Het zou begrijpelijk zijn! Zelf kan ik navoelen de zoete bevrediging van zulk een weerwraak (stellig! het is een gesublimeerde vorm van een zéér ordinair instinct) maar bij mij staat daar nog een zekere eerzucht tegenover, niet groot, dunkt mij, maar in vergelijking met uw genezen-zijn van alle ‘kittelingen der ambitie’ nog geweldig (helaas) als een tweesnijdend zwaard. Bij u kan de eerzucht die andere aandrift niet neutraliseren. En daarom overkwam mij een angst, dat u ons heus zou laten modderen, niets meer zoudt publiceren, nergens meer zoudt komen spreken, dat we u zouden moeten zoeken als in een retraite en ons schenners zouden moeten voelen van een welverdiende rust, als we in de buurt van dat gebied kwamen. Al die gezichten: de Hartog,4 Cramer,5 Van Rhijn,6 Berkelbach,7 Brouwer -- maar Noordmans niet, wat moet ik daar van denken? ’t Kan niets betekenen! ’t Kan ook een klein vóórteken zijn van een groot gemis. Daarom zou ik, als ik iets vermag over uw hart, u nu willen bezweren: lieve Meester, grote stille Arbeider, bedenk wat gij doet, als ge ons verlaat! het past ons niet tegen u te préken, maar is dàt gehoorzaamheid aan uw roeping, zou dàt trouw zijn aan de gegeven kansen en de nog opgetaste talenten, die God u gaf en die gij boven dezelve gewonnen hebt? Doe het niet - het is zo heerlijk! - niets is verrukkelijker dan te ‘blijven zitten’ en zonder nieuwe plichten de grote vacantie tegemoet te glijden! - maar weersta! het strelen van deze flemende hand, van deze edel-weemoedige demon - word niet boos! als ik het waag - zelfs tot u te zeggen: het is au fond een ordinair instinct. Werk zolang het dag is! de nacht komt! en wij en velen, die nog in knop zitten, hebben de wekkende straal van uw geest nódig. Kom, blijf bij ons! mijn vader! die wel niet op de strijdwagen Israëls gelijkt, maar des te meer op de stil blinkende ploegschaar in de morgennevel, die begint op te trekken over het land, in zijn nederheid gelegen, over Nederlands theologisch nieuwland. Vergeef me, indien ik te vrijpostig en te indringerig ben geweest. Uw dw.,

K.H. Miskotte.

(AN)

Noten

  1. 1

    Nl. het passeren van ON bij de hoogleraarsbenoeming te Utrecht.↩

  2. 2

    Vgl. de brief van Miskotte nr. 483 (29.12.1934) en het antwoord van ON nr. 501 (15.2.1935).↩

  3. 3

    Miskotte doelt op de eerste van acht bijeenkomsten waarop Barth de Apostolische Geloofsbelijdenis behandelde. Vanaf 8 februari 1935 kwam Barth acht weken elke vrijdagmiddag uit Bonn naar Utrecht. Op 5 en 6 april kwam Barth nog eens, nu naar Amsterdam, om vragen te beantwoorden. Hierbij was ON wel aanwezig.↩

  4. 4

    A.H. de Hartog, zie brief nr. 154 (23.11.1901), n. 1.↩

  5. 5

    J.A. Cramer (1864-1952), inmiddels oud-hoogleraar kerk- en dogmengeschiedenis te Utrecht, zie brief nr. 311 (25.8.1919).↩

  6. 6

    M. van Rhijn, zie brief nr. 346 (29.11.1924), n. 7.↩

  7. 7

    S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, zie brief nr. 415 (27.4.1932), n. 3.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 499. J.H.C. Kamsteeg aan O. NoordmansLaren Gld. 1935-1945501. O. Noordmans aan K.H. Miskotte →