535. S.J. Ridderbos1 aan O. Noordmans
Kampen, 14 october 1935
Zeer geachte ds . Noordmans,
Mag ik beginnen u hartelijk geluk te wensen met het eredoctoraat, dat u werd verleend? Ik heb me er zeer over verblijd, dat de ‘school’ dan toch deze keer zo’n gelukkige greep heeft gedaan. Verder heb ik u nog zeer te bedanken voor uw laatste uitvoerig antwoord. Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik me over sommige van m’n vragen achteraf wel wat heb geschaamd. Ds. Tromp2 heeft m.i. terecht in een bespreking van Barth’s Credo3 opgemerkt, dat vele bezwaren van allerlei kant ingebracht, voortkwamen uit een onvoldoende kennis van wat de man geschreven en gezegd had. Ook veel van wat ik vroeger u schreef, zie ik thans in dit licht. Daarom durf ik eigenlijk niet goed u in dit stadium van mijn kennis verder lastig vallen. Wanneer ik het toch doe, wil ik vooropstellen, dat ik het u helemaal niet kwalijk zal nemen, wanneer u verder niet antwoordt. Ik hoop niet een deel van uw tijd aan velen te onttrekken voor particuliere moeilijkheden. Want moeilijkheden blijven er voor mij bestaan, die naar ik geloof ook niet louter uit misverstand voortkomen. Het bepalen van een theologische positie lijkt me tegenwoordig al bijzonder moeilijk, nu de verwarring m.i. aan alle kanten groter dan ooit is, terwijl thans ook meer dan ooit klaarheid tenminste van elkanders bedoeling vereist is. Dat het vatten van elkaars bedoeling zo zwaar begint te worden schijnt me ook voor een groot deel voort te vloeien uit de houding waarin ‘Barthianen’ en ‘Neo-calvinisten’ heden tegenover elkaar staan. Onlangs hoorde ik, dat u op een kring gezegd had, dat wij, neo-calvinisten, eens moesten niezen. Nu als niespoeder aanvaard ik uw Herschepping graag. En ook waarlijk als meer dan dat. Maar ik hoop, dat u het ons, hopelijk dan zeer verkouden geworden, ook niet al te kwalijk neemt, wanneer we u dan gaan vragen naar de ‘heiligmaking’, de ‘schepping’, het ‘volle leven’ etc. Hopelijk hebt u uit m’n vorige brieven wel begrepen, dat ik niet zo veel over die dingen zou praten en vragen, als ik niet juist aan u schreef. Ik heb het, ook dank zij uw werk, wel afgeleerd die dingen te centraal te zien. Inderdaad heb ik ‘christelijke’ politiek, wetenschap, etc. wel met minder enthousiasme leren zien. Men kan ook tot dit inzicht door de meer nuchtere praktijk komen. Maar ondanks dit alles, en ook ondanks al het zeer ware wat u in uw laatste brief over geloof en leven schreef, blijf ik geloven, dat we in het geloof op deze deur, die inderdaad wel op het nachtslot zal blijven zitten voorlopig, moeten blijven bonzen. Ik meen, dat het Credo van Barth deze opvatting zeker rechtvaardigt (zoals u trouwens ook al schreef, en passant). ‘Wij moeten met ons denken, maar ook met heel ons doen uitzien naar deze grens der kerk’ (Apost. geloofsbelijdenis, 178).4 Nu blijft voor mij de grote vraag in deze, waarom in de praktijk toch Barthianen en Neo-Calvinisten zozeer blijken uiteen te gaan, wanneer de laatste komen met hun ‘christelijke’ organisaties. Het betreft hier toch niet alleen een verschil over de wijze hoe het werk gedaan moet worden, maar m.i. wel degelijk ook over wat, hoeveel moet worden aangepakt. Dit schijnt me nog dringender te worden, wanneer u in uw Herschepping over ‘schepping’ toch vrijwel niets anders dan ‘critisch begrip’5 zegt en zeer nadrukkelijk over ascese6 gaat spreken, al verschilt deze ook principieel van de roomse. Bij mij komt de vraag op, of dit laatste verschil inderdaad te handhaven zal zijn in de praktijk, al erken ik natuurlijk dadelijk dat het gezichtspunt waaronder het verschijnt bij u geheel anders is. Sluit deze gezichtshoek, om het zeer on-Barthiaans te zeggen, van het ‘sola fide’ eigenlijk niet de nadrukkelijke ‘leer’ van de ascese uit? In de praktijk zijn de christenen altijd ascetisch. Ze weten dat niet alles ‘sticht’. Maar nadrukkelijke aandrang op ascese lijkt me toch in een ander verband te staan, dan wanneer Paulus vermaant om de groente etende broeders niet uit te lachen.7 Ook ascese lijkt me tenslotte een vraag naar ons kleingeloof; maar mag de vrijheid der ‘sterken’ (hiermee bedoel ik niet de Neo-calvinisten!) al apriori geoordeeld worden door de zwakken? Ik mag een Zeeuwse boer niet uitlachen omdat hij zondags niet wandelt, evenmin als meer ‘gecultiveerde’ studenten onze Kamper gewoonte om niet te dansen hebben te minachten. Maar evenmin schijnt het mij geoorloofd apriori aan anderen ascese in deze, en meer belangrijke ‘cultuurzaken’ op te leggen; hoewel ik u moet toegeven, dat uw waarschuwende vinger in de praktijk maar al te gewenst zal zijn. Voor christelijke wetenschap en politiek schijnt mij hetzelfde te gelden. Mijn bezwaar is nog niet in de eerste plaats, dat van ‘Barthiaanse’ zijde men zich in de practijk aan deze dingen veelal onttrekt, maar vooral, dat dan ook nog gezegd wordt: houden jullie, hoe goed bedoeld ook, er ook maar mee op. Wanneer alle mensen dominee konden en mochten worden, dan zou ik me met Barths beschouwing in deze op p. 172, 173 van de Apost. Geloofsbelijdenis8 heel goed kunnen vinden. Maar nu dit nu eenmaal niet het geval is, vraag ik me toch af: wat moeten de economen en fysici de zes werkdagen doen? Laat ik met een meer rechtstreeks de prediking rakende vraag mogen eindigen. Wanneer ik p. 13 van Herschepping van de beloften van het evangelie lees, en over de ‘waarheid’ meer terloops (9),9⚑ dan lijkt het me toe, dat er meer huivering door Johannes 6 gaat, waar Jezus toch ook predikt (Joh 6:65). Ik stuit hier op praktische moeilijkheden in evangelisatiewerk. Moeten we alleen maar ‘lieflijke’ verkondigers zijn? Kapernaüm werd Jezus’ tegenwoordigheid toch een oordeel en Christus heeft dat hun toch ook duidelijk gezegd?10 En wanneer u p. 164 schrijft, dat eindeloos aansporen ook weinig vruchtbaar zal zijn, omdat het niet levend maakt,11 dan geldt dit toch ook al wanneer dit aansporen nog helemaal niet eindeloos is, wanneer de preek pas begint? Maar toch behoudt ondanks dit alles de aansporing tot bekering in het N.T. een grote betekenis; waarmee me het ‘dadelijk maar troosten’ van vader Brummelkamp12 toch niet geheel schijnt overeen te komen, hoewel dit laatste toch, wanneer we alleen maar zeggen dat aansporing tot bekering doodt, wel het meest rationele was geweest. Mogen wij op deze wijze het raadsel, dat wij de mensen moeten oproepen tot bekering ontvluchten? U ziet hier enige gedachten die me bij uw Herschepping in de zin kwamen, welk boek me intussen zeer veel heeft geschonken. Met de meeste hoogachting, uw dw.
S.J. Ridderbos.
(AN)