565. M.C. Slotemaker de Bruïne1 aan O. Noordmans
Wassenaar, 23 november 1935
Hooggeachte dr. Noordmans,
Het is schandelijk van me geweest dat ik u niet allang gelukgewenst heb met uw doctoraat. Ik ben daar zo blij om geweest omdat ik er het bewijs in zag dat de Nederlandse theologie toch nog enige notie heeft van wat er gedacht en gewerkt wordt. Het is alles zo officieel en zo slaperig en zo koelie-achtig. Ik werd echter door mijn eigen bewogen bestaan zo in beslag genomen dat ik het verzuimde. Nu nog mijn hartelijke gelukwens. En dan dank ik u voor uw vriendelijk briefje naar aanleiding van de Indische benoeming.2 Dat in Utrecht de keus niet op mij viel heeft mij opgelucht.3 Ik meen dat eerlijk en heb dat toen ook al uitgesproken. Ik was voor dit gecompliceerde ambt niet klaar. Maar de keus die viel kan ik daarom niet toejuichen. De beide Utrechtse hoogleraren4 zullen samen een zware sjouw hebben! Ik hoop stellig u nog te kunnen zien voor het vertrek. Met vele groeten. tav.
M.C. Slotemaker de Bruine.
(AN)