Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld. 1935-1945

Weergave
Passages naar Readwise sturen

624. P. Scholten1 aan O. Noordmans

Amsterdam, 9 mei 1939

Hooggeachte dr. Noordmans,

Laat mij in antwoord op uw brief2 vooropstellen, dat ik bijzonder ingenomen ben met de wijze waarop ge uw kroniek3 hebt opgezet en in het tweede nummer voortgezet. Dat begin met de psalm heeft iets koninklijks. Ik zeg dit omdat daar ook de conclusie uit volgt: ge moet vooral deze rubriek zo persoonlijk houden als zij is. Dit is voor de kerk van belang. Afwisseling moet dus niet plaats hebben. Doch dit is ook niet de bedoeling. Ik dacht, dat met volkomen behoud van de gedachte van de continuïteit het toch mogelijk is, dat een ander een punt, dat hem bijzonder hoog zit, behandelt, als een toegiftje als ’t ware. Er komt de kerkelijke kroniek van u - daarnaast een stukje van Stufkens4 over de hulp aan de niet-arische predikanten.5 Zo heb ik er een ogenblik over gedacht nog iets over de reorganisatie te zeggen, doch ik heb liever en het is ook beter, dat gij dat doet. En ik was te meer geneigd Stufkens hierin tegemoet te komen omdat het mij heeft gehinderd, zo weinig als de Kerk heeft begrepen dat het Jodenvraagstuk ook haar vraagstuk is. ‘Uitgeschakeld’ moet ge dus stellig niet worden. Hebt ge tegen een dergelijk toevoegsel aan uw kroniek - met de initialen van Stufkens getekend - overwegend bezwaar, dan kunnen we een bijzondere rubriek maken: Aantekeningen en opmerkingen of zoiets. Doch mij schijnt het beter deze dingen achter de kroniek te plaatsen met dit voorbehoud dat het alleen geschiedt als degeen, voor wiens verantwoordelijkheid dit deel der kroniek is, het ook goed vindt. Daarom werd ook op mijn voorstel besloten, dat Stufkens het stukje aan u zou zenden en gij dan over de plaatsing zou beslissen. Wat de materiële zijde betreft, ook hierin denk ik ongeveer als gij. Mij was uw critiek op Barth’s uitlating over de kinderdoop zeer welkom - al erken ik dat de doop van de kinderen een vraag kan doen ontstaan: hoe is dit bijbels te funderen? In ieder geval mag zulk een vraag echter niet incidenteel worden opgeworpen. Hier wreekt zich het vraag- en antwoordspel, dat Barth hier onderging.6 Ik moet er bijvoegen dat zijn voordracht en ook zijn antwoord aan de VU-mensen mij toch zeer sterk hebben geimponeerd. Ook aan wat ge zegt over het gevaar secte te worden geef ik graag mijn adhaesie, alleen ben ik daarvoor niet erg bang gezien de meesten onzer medewerkers. Doch ik verschil van u als ge in de wens van Stufkens het punt van de predikanten van joodse afkomst te behandelen een symptoom ziet van een stroming, waartegen ik mij met u zou verzetten. Ik weet niet precies wat hij zal schrijven, maar ik vermoed dat het mijn instemming zal hebben en waarschijnlijk ook de uwe. Conclusie van dit alles is dus: 1. Ik zie in een losse opmerking van een andere redacteur na de kroniek van de man die het aangaat geen bezwaar mits met toestemming van de laatste. Ik zou deze zaak ook zo willen behandeld zien. 2. Hebt ge overwegend bezwaar, dan moet er een nieuwe rubriek over dergelijke dingen worden in het leven geroepen. Intussen dank voor uw openhartige uiteenzetting, in afwachting van uw antwoord met beste groeten, gaarne uw dw.

Scholten.

In één opzicht is er bij u - nu ik uw brief7 nog eens nalees - bepaald misverstand. Van ‘vervanging’ van u door Stufkens ook maar voor een keer is geen sprake geweest. Dat zou stellig niemand aanraden.

(AN)

Noten

  1. 1

    P. Scholten, zie brief nr. 410 (5.3.1932), n. 2.↩

  2. 2

    Deze brief is niet meer aanwezig.↩

  3. 3

    De Kroniek in WW (1939), VW 4, 252-257), waarin ON begint met Psalm 97 (SV) te citeren.↩

  4. 4

    N. Stufkens, zie brief nr. 609 (19.10.1938), n. 4.↩

  5. 5

    Een kroniek van N. Stufkens met aandacht voor deze problematiek verscheen in WW (1939) nr. 4, 310-314. De toestroom van joodse vluchtelingen na de beruchte Reichskristallnacht van 9 op 10 november 1938 vormde voor Stufkens de aanleiding om aan te geven hoezeer het jodenvraagstuk ook een kerkelijke zaak was, aangezien zich onder de vluchtelingen ook christenjoden bevonden. N. Stufkens (1890-1964) was een der leidende figuren in de NCSV. Zie J.J.Buskes. ‘Een bedevaart naar Hardenbroek. In dankbare herinnering aan Henk Kraemer, Herman Rutgers en Nico Stufkens’ in: Wending 20 (1965/66), 746-760, later opgenomen in Mensen die je niet vergeet (Apeldoorn zj.).↩

  6. 6

    In maart 1939 sprak Barth in Utrecht, Leiden, Kampen, Groningen en Amsterdam over ‘De soevereiniteit van het Woord Gods en de beslissing van het geloof ’ (Theologische Studiën, 16vv.). Van Barth werd vooraf door de overheid geëist dat hij zijn lezing zou laten censureren en geen politieke uitspraken zou doen. Tijdens zijn verblijf in Nederland werd Barth in opdracht van minister-president H. Colijn door de politie gevolgd. Een besloten bijeenkomst aan de VU werd verboden, omdat Barth niet de verzekering kon geven dat hij niet over politiek zou spreken. Deze bijeenkomst werd toen buiten de politie om voortgezet in het AMVJ-gebouw. In de kroniek van WW (VW 4, 256-257) bekritiseerde ON de wijze waarop Barth op de genoemde bijeenkomsten zijn doopopvatting aan de orde stelde: ‘Een oecumenische figuur als Barth moet voorzichtig zijn, als hij een publiek dispuut-college houdt. Zo acht ik het niet verantwoord als Barth bij een dergelijke gelegenheid, op exegetische gronden, bezwaar maakt tegen de kinderdoop. Wie, zoals hij, een dergelijke professorale mening koestert, moet wel bedenken hoe diep dat insnijdt in de leer en het leven der kerk. Barth kan vraaguren, zoals hij die thans gaf, niet openen zonder daarmee buiten het begrensde terrein te komen. Hij is een soort kerkvader der 20e eeuw en moet zich dat herinneren als hij zulke fundamentele stukken als de kinderdoop bespreekt. Een dergelijk gravamen heeft absoluut de behandeling in de kerk nodig, voor men er mee van de katheder in het leven gaat. Dat Barth deze regel heeft veronachtzaamd, acht ik een ernstige fout in zijn optreden hier te lande. Er is veel meer reden voor de kerk om daar bezwaar tegen te maken, dan er voor de overheid bestond om hem over politiek te laten spreken.’↩

  7. 7

    Deze verwijzingen naar uitspraken van ON stammen niet uit een kroniek, ze zijn waarschijnlijk afkomstig uit de brief van ON aan Scholten, die niet teruggevonden is.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 623. C.J. de Vogel aan O. NoordmansLaren Gld. 1935-1945625. O. Noordmans aan P. Scholten →