Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Laren Gld. 1935-1945

Weergave
Passages naar Readwise sturen

693. J.A. Cramer1 aan O. Noordmans

Bilthoven, 22 mei 1942

Amice,

Voor de aardigheid zend ik u mijn laatste pennevrucht,2 die ge misschien reeds onder de ogen hebt gehad als ge op de Nieuwe Theologische Studiën zijt ingetekend. Ik doe dat om u nog eens te zeggen, dat ik uw boekje over Liturgie3 met grote instemming heb herlezen, maar weer onder de indruk kwam van de traditionele denkwijze (ook bij O. Noordmans), die in de gereformeerde kerk wordt gevonden, dat Zwingli in de kwestie over het Avondmaal niet meetelt!4 ’t Is altijd weer ‘Luther en Calvijn’ of ‘Calvijn en Luther’, terwijl Zwingli met voornaam stilzwijgen wordt voorbijgegaan. Laat ik maar ronduit mijn opinie zeggen, nl. dat ik op en top Zwingliaan ben, omdat Zwingli de enige is, die de juiste schriftuurlijke opvatting van het Avondmaal heeft. Van al dat gepraat over ‘subjectivisme’ komt bij nadere kennismaking niets terecht, terwijl mijns inziens de onderscheiding tussen ‘subjectivisme’ en ‘objectivisme’ op het gebied des geloofs hoegenaamd geen zin heeft. Ik ben nu 78 jaar, heb meer dan 53 jaar lang het Avondmaal mogen bedienen, heb mijn geest steeds trachten open te houden voor meningen en beschouwingen van mensen, die ik om hun geloofsinzicht en wetenschapppelijke kennis verre boven mij stelde, bevreesd als ik was om mij in eigen ‘geliefde’ denkbeelden rustig in te kapselen. Als iets mij vreemd is, dan is het: mij in een muur van eigen beschouwingen in te metselen. Het komt aan op waarheid, die wij moeten durven uitspreken voor het Aangezicht Gods, als wij met Hem alleen zijn! Daarom stel ik mij zo gaarne open voor meningen van anderen naar wie ik met eerbied kan luisteren. Maar ik kan niet met u meegaan in uw beschouwing, dat, wanneer het sacrament zijn karakter zal kunnen openbaren aan ‘zonde’ en ‘genade’ (en dan moet toch wel het niet een ... Liturgie! -) er dan reden is om te denken, dat het een eigen plaats zal hebben naast het Woord in deze zin, dat het dieper in de nood en de zonde zal staan dan het Woord.5 Waar haalt ge die bewering toch vandaan? Welke plaatsen der Schrift kunt gij daarvoor aanhalen? Welke plaatsen van de Schrift kunt ge aanhalen, dat Christus Doop en Avondmaal als ‘sacramenten’ van blijvende betekenis voor zijn ‘kerk’ heeft ingesteld? Waar vinden wij in de Schrift aanwijzingen, dat wij voor de Avondmaalsviering een soort ‘voorbereiding’ zouden moeten hebben meer dan voor elke evangelieverkondiging, en een ‘dankzegging’ meer dan na elke eredienst der gemeente? Ik ben in de kerk van Christus geboren, waarin Avondmaal en Doop als sacramenten werden bediend. Met diepe eerbied heb ik naar de prediking daarvan geluisterd, niet omdat het zien van het oog of het tasten van de handen mij inniger en dieper van de waarheid van het Evangelie konden overtuigen dan het horen van het Woord door het oor. Maar omdat de prediking van de sacramenten zo eenvoudig is en niet door de preek van de voorganger kan worden bedorven. Bij Doop en Avondmaal is God alleen aan het Woord en wordt Hij niet door zondige mensen in de rede gevallen. Maar bij elke prediking ben ik bang en loop ik gevaar dat te doen. Aan het Avondmaal zitten mensen aan met allerlei dogmatische beschouwingen. Misschien denken onder hen geen twee over de ‘verzoening’ gelijk, maar allen luisteren zij naar het Woord, door het sacrament visibiliter gepredikt: dit deed Christus, ik dank u, dat Gij dat ook voor mij hebt gedaan. Maar de taal van het Avondmaal en de belijdenis der aanzittende gemeente daalt niet dieper af dan de prediking wanneer daardoor de Heilige Geest mij overtuigt van ‘zonde’ en ‘genade’.6 De grootste zegen voor mijn hart heb ik altijd in de prediking ondervonden en ontvangen. Maar nooit bij het Avondmaal. Bij het Avondmaal kom ik meer onder de indruk van het feit, dat de gemeente een huisgezin is. Welke diepere indruk kan het Avondmaal geven dan de verzekering mij door de Heilige Geest gegeven, wanneer ik onder de prediking des Woords de zekerheid ontvang: ‘dit is een Woord van God persoonlijk tot mij.’ Wij lopen gevaar aan de sacramenten een betekenis te geven die ze niet hebben. Van der Leeuw durft zelfs zeggen dat ik door de Doop lid der kerk wordt,7 terwijl de Doop niet meer is dan de verzekering, dat ik lid van de kerk ben. Wanneer ik niet gedoopt was, zou ik er in mijn geestelijk leven niets anders door geworden zijn en evenmin wanneer ik nooit aan het Avondmaal was geweest. Ik heb bij vrome Quakers nooit enig gemis van geestelijke rijkdom gevonden. Wel vond ik bij hen gemis aan het besef van een kerk die door haar sacramenten haar deuren naar alle zijden voor de wereld openzet. Zodra men in de sacramenten meer ziet dan een verzekering, dat God in Christus onze Vader is, gelijk het feit, dat een Evangeliedienaar, de enige die in de gemeente des Heren het Evangelie verkondigt, een verzekering is dat God mij roept en, wanneer ik gekomen ben, mij als kind heeft aangenomen, nog eens, zodra men in het sacrament iets meer ziet, vervalt men in een magie en mystiek. Ge zult wel denken, dat ik er bij het ouder worden geestelijk niet op vooruit ben gegaan. Daarin hebt gij gelijk, maar God heeft mij bij mijn ondervinden steeds zijn vaste hand doen gevoelen in de leiding van zijn genade. Nog eens: Zwingli heeft het sacrament reeds gewaardeerd, al is zijn exegese niet altijd juist uitgelegd, dat het tijd wordt, weer op hem te wijzen. Vergeef mij mijn lang geschrijf. Maar een wetenschappelijk praatje werd langer dan ik dacht. Met recht hartelijke groet, tt.

J.A. Cramer

(AN)

Noten

  1. 1

    J.A. Cramer, zie brief nr. 311 (25.8.1919), n. 1.↩

  2. 2

    J.A. Cramer, ‘Zwingli’s Sacraments- en Avondmaalbeschouwing’ in: Nieuwe Theologische Studiën 25 (1942) 61-74.↩

  3. 3

    Liturgie (Amsterdam 1939); VW 6, 45-164.↩

  4. 4

    ON besteedt ruime aandacht aan de opvattingen van Luther en Calvijn; Zwingli wordt daarentegen buiten beschouwing gelaten.↩

  5. 5

    VW 6, 72.↩

  6. 6

    Zie: Joh. 16:8.↩

  7. 7

    Vgl. G. van der Leeuw Liturgiek (Nijkerk 1939), 60.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 692. P. Scholten aan O. NoordmansLaren Gld. 1935-1945694. J.A. Cramer aan O. Noordmans →