708. O. Noordmans aan De Regenboog1
Laren (G.), 13 mei 1943
Aan de Broederkring ‘De Regenboog’.
Waarde Broeders,
op 1 februari hebben twee uwer mij de gelukwensen van uw kring aangeboden naar aanleiding van mijn veertig-jarig ambtsjubileum. Zij deden dit vergezeld gaan van de mededeling, dat het in de bedoeling lag mij een boekwerk aan te bieden. Onlangs heeft uw medelid Pasma2 dit aan mij overhandigd, het mooie werk over Indië: Daar werd wat groots verricht. Persoonlijk heb ik hem toen reeds mijn grote erkentelijkheid betuigd en hem verzocht dit aan u over te brengen. - Thans wil ik ook langs deze weg gaarne nog eens zeggen, hoezeer ik getroffen ben door deze buitengewoon vriendelijke attentie. Wanneer het mooi geïllustreerde boek op tafel ligt in de huiskamer of de studeerkamer herinnert het mij aan de vele prettige uren die ik in uw midden heb doorgebracht. De personen hebben sterk gewisseld sedert ik in 1923 als lid werd gekozen, maar de geest bleef steeds dezelfde. Het was er een van amicale vertrouwelijkheid en onderling opscherping. Vaak heb ik, voor ik op een bepaald punt mijn mening ging bevestigen, de proef genomen of ik haar in de Broederkring kon staande houden. De collegiale dialectiek is een prachtig instrument om er z’n gedachten mee te wetten. Zij is meestal vrijmoediger en tegelijk toegeefelijker dan die van het grote publiek. Moge de kring voor u allen nog veel betekenen, zoals zij dat ook voor mij gedaan heeft. Met broederlijke groet,
O. Noordmans
(ADRB)