715. O. Noordmans aan G. van der Leeuw1
Laren (Gld), 27 september 1943
Amice,
Vandaag las ik in de krant, dat je jubileert, al zal het door de tijdsomstandigheden in klein formaat moeten zijn. Niet gaarne echter zou ik achterblijven met het aanbieden van mijn hartelijke gelukwensen. Wat mij ’t meest frappeert bij dit feest is het feit dat gij nog zo jong zijt. Gezien het vele dat van je hand verscheen en de activiteit die er van je is uitgegaan, had het eigenlijk een 40-jarig jubileum moeten zijn. Maar dat is het voordeel van vroeg beginnen. 1916 gepromoveerd;2 1918 professor en dan 25 jaar van grote productiviteit, ja het komt uit, en ge zijt nog pas 53. Mogen er nog minstens 25 jaren bij komen! Graag had ik de gelegenheid gehad je persoonlijk de hand te drukken. Dan had ik willen zeggen, wat ik nu langs deze weg doe, hoe grote eerbied ik heb voor je wetenschappelijke prestaties. Hoe veel is het geweest en hoe velerlei. En wat je ook gaf, altijd bleef men geboeid bij de lectuur. Maar eigenlijk had ik je graag de hand gedrukt om iets anders. Om de grote vriendelijkheid, waarin wij elkaar nu al jaren lang hebben mogen ontmoeten. Het was mij steeds een verkwikking de gelegenheid te hebben met je te praten over allerlei en het behoort tot de smarten van deze tijd, dat het contact zo gering is geworden. Wij zijn het niet steeds eens geweest op zeer belangrijke punten. Maar ik geloof te mogen zeggen dat onze polemieken de persoonlijke verhouding niet hebben geschaad. Mocht een of ander uitlating je pijnlijk geweest zijn, dan ben ik er van overtuigd, dat je steeds wel geweten hebt dat de liefde voor de zaak geen afbreuk deed aan de toegenegenheid voor de persoon. En dat zal zo blijven zolang ik een pen kan voeren of een mond kan opendoen. Moge God je geven met je vele talenten Hem en Zijn kerk nog lang te dienen. Met hartelijke groeten, ook aan Mevrouw, tt.
O.Noordmans
zie handschrift
(ARUG)