716. J.C. van Dongen1 aan O. Noordmans
Lichtenvoorde, 4 october 1943
Zeer geachte dr. Noordmans,
Met grote belangstelling las ik uw artikel in het Weekblad over Eredienst,2 en wil dadelijk maar opbiechten, dat ik vermoedelijk schuldig sta aan het feit, dat u in het ringblad de predikbeurten onder het hoofd ‘Eredienst’ vermeld vindt.3 Als samensteller van het ringblad van de ring Winterswijk heb ik dit opschrift gekozen, nadat er eerst een tijdje ‘predikbeurten’ had gestaan, en blijkbaar is dit overgenomen door de andere ringen. Of is de door u geconstateerde ‘ziekte’ reeds zo voortgewoekerd,4 dat men, onafhankelijk van anderen, tot eenzelfde besluit is gekomen? Nu is het waar, dat het woord ‘Eredienst’ in de boeken en boekjes van de Liturgische kring een bepaalde lading heeft gekregen: de opvoering van het hemels blijspel op aarde. Maar is het daarom nodig dit m.i. zo juiste woord te vermijden? Ongetwijfeld wel, als we ‘eredienst’ zien als tegenstelling van leerdienst. Maar het is toch verantwoord, om met Kuyper de hele kerkdienst ‘eredienst’5 te noemen, en dus niet nadruk te leggen op de geslotenheid, op wat u noemt de ‘straffe samenvatting van alle handelingen,’6 maar op de Ere Gods. Het lijkt me zinvol en in de geest van Calvijn. Het woord Eredienst zou ik als volgt willen omschrijven: Tot Zijn eer roept God de gemeente samen tot gehoorzame dienst. Het woord predikbeurten daarentegen vind ik hinderlijk. Dit doet denken aan ‘domineeskerk’ en het gaan horen van een goede spreker. Het belangrijkste in de woorden: ‘10 uur v.m. ds. van Dongen’ vind ik ‘10 uur v.m.’ God heeft dan weer tijd voor ons - en wij krijgen tijd voor Hem - Eredienst. In Lucas 1:8 valt op het ‘verrichten van priesterdienst voor God’ meer nadruk dan op de ‘beurt’, hoe dankbaar ik overigens ook ben voor de ‘toevallige’ aanraking Gods van de aarde in deze beurt. T.a.v. de liturgische beweging zit ik vol critiek, hoe dankbaar ik overigens ook ben voor hun bestrijding van individualisme en het vinden van goedkerkelijke vormen. Ik vraag me steeds af: hebben ze enig theologisch uitgangspunt, waarnaar ze de hoogvereerde oude liturgische stof ordenen, d.w.z. het ‘roomse’ uitziften uit het ‘katholieke’? Mijn brief vraagt niet dadelijk om beantwoording, maar ik zal het toch prettig vinden om enkele letters van u te ontvangen. Met de meeste hoogachting, uw dw.,
J.C. van Dongen.
(AN)