Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Lunteren 1945-1955

Weergave
Passages naar Readwise sturen

772. A.A. van Ruler1 aan O. Noordmans

Hilversum, 7 december 1946

Zeer geachte Collega Noordmans,

Het is mij moeilijk, zo op m’n eentje een beoordeling van uw concept-belijdenisvragen2 te formuleren. Ik doe zoiets liever in gemeenschap. Men kan dan eenzijdig zijn en wordt weer opgevangen door de anderen. Nu ik het alléén moet doen, moet ik helemaal ernstig zijn. En dat valt mij zwaar. Als de belijdenisvragen ongeveer deze vorm moeten hebben, dan acht ik uw concept een zeer bruikbaar uitgangspunt voor de discussie in onze commissie. Ik ben daar echter nog steeds niet van overtuigd. Het lijkt mij hachelijk, in ‘belijdenisvragen’ een proeve te geven van de formulering van een belijdenis-in-zakformaat of van een extract van de belijdenis. De kerk hééft haar belijdenis, op een veelvoudige wijze. In het koor, dat dit loflied der belijdenis zingt, stemt de belijdeniscatechisant mee in. Hij zingt niet een eigen melodie en vooral geen eigen woorden. Ik voel daarom nog steeds het meest voor een verwijzing naar de ‘leer’ van het Oude en het Nieuwe Testament, waarvan de kerk een samenvatting heeft trachten te geven en waarin de gehele existentie voor tijd en eeuwigheid geordend wordt. Wèlke de categorieën zijn, waarin de leer de existentie ordent, moet men er liever niet bij zeggen. Het zijn de geboden en de beloften Gods. Zij zijn veelvormig. De kerk heeft er de eeuwen door de handen vol aan gehad. Een reductie op een paar kernpunten, speciaal voor jonge lidmaten, heeft voor mij altijd iets benauwends. Men kan er maximaal bij zeggen, dat het de geboden en de beloften van de drieënige God zijn. Dan heeft men ook het kerkelijk en oecumenisch verband. Liefst zou ik dus het gebodene niet beoordelen. Misschien wilt u de zojuist aangegeven gedachtengang nog eens bekijken. Ik zou hem in ieder geval graag nog eens ter sprake gebracht zien in onze commissie. Moet ik toch tot een beoordeling overgaan, dan geef ik de volgende opmerkingen. In de eerste plaats is het mij iets te ascetisch. Ik mis er te zeer de vreugde in en het element van het genieten van het leven, de aarde en de natuur vanwege de toekomst Gods. Ik weet: hiermee zouden wij het gereformeerde leven belangrijk spannen. Maar ik meen, dat dit volstrekt noodzakelijk is. Het kán ook: vanwege het verbond der genade zet het avondmaal mij, ook naar gereformeerde opvatting in de verheerlijkte en bloeiende natuur. Ik mis er zelfs de activiteit, het gebruiken van het leven in. Dat was toch goed gereformeerd. Vanuit de uitverkiezing en de roeping krijgt het leven, door de wet Gods, uitbreiding en gestalte. Kortom: de politiek ontbreekt mij te zeer in deze vragen. Wij blijven in de kerk en staan te weinig in het rijk. In de tweede plaats enige kleine opmerkingen: a) ‘Weet gij een lidmaat der gemeente van Christus te zijn’ - als er geen verwijzing naar de doop bij staat, dan moet dit in de tekst identistisch en methodistisch worden uitgelegd. b) ‘Mitsdien’ in vraag I is niet mooi. Het is ook vreemd. Volgt uit het lidmaatschap der gemeente alléén datgene wat verder in vraag I staat en niet datgene wat in de vragen II en III staat? c) ‘Daarom’ in vraag II - staat dat parallel met ‘mitsdien’ in vraag I of slaat het op het slot van vraag I? d) Het woord ‘troost’ in vraag III suggereert, in onze modernere [...?], een levensgevoel, dat door u niet bedoeld wordt. e) De dialectiek van het ‘opnemen in de gemeenschap der heiligen’ in vraag III en het ‘lidmaat der gemeente van Christus zijn’ uit vraag I is op het eerste gezicht weinig helder. f) In vraag IV zou ik rondom het avondmaal het héle leven, en niet alleen het leven ‘in de gemeente’, willen zien verschijnen. Ziehier mijn voornaamste critische gedachten, welke bij eerste en individuele kennisneming van uw stuk in mij opkomen. De instemmende gedachten behoef ik niet aan te geven. Er is zeer veel in, dat mijn hartelijke instemming heeft - áls het tenminste in deze trant moet. De vervanging van de schepping door het rijk is mij uit het hart gegrepen. Het opnemen van de verkiezing en de roeping in dit verband eveneens. Het vermelden van de gaven des Geestes ook. En zo is er meer. Ik eindig. Ik hoop dat u iets met m’n flitsen kunt worden. Met collegiale groeten, uw dw.

A.A. van Ruler.

(AN)

Noten

  1. 1

    A.A. van Ruler, zie brief nr. 609 (19.10.1938), n. 27.↩

  2. 2

    Op 13.12.1946 stuurde ON zijn concept met toelichting aan de voorzitter van de Commissie voor de Kerkorde, H.M. J. Wagenaar, met de aantekening dat kritiek van Van Ruler en H. de Vos mondeling uitgebracht zou worden. Binnen de op 11.12.1945 ingestelde Comissie voor de Kerkorde was ON betrokken bij de werkgroep voor de formulieren. Zie: W. Balke/H. Oostenbrink-Evers De Commissie voor de Kerkorde (1945-1950) (Zoetermaar 1993). De tekst van ON is hieronder opgenomen:

    Belijdenisvragen van dr. O. Noordmans

    Belijdt gij een lidmaat van de gemeente van Christus te zijn en gelooft gij mitsdien een Vader in de hemelen te hebben en dat Zijn Koninkrijk nabij gekomen is?

    Erkent gij daarom Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, als Uw Heer en gelooft gij verkoren en geroepen te zijn, Hem te belijden voor de mensen, tegen de zonde en den duivel te strijden en Uw leven Hem te offeren?

    Vertrouwt gij, dat de Heilige Geest u daartoe zijn gaven wil schenken, U onder het kruis wil troosten en U doen deelen in de gemeenschap der heiligen?

    Verlangt gij alzoo mede aan te zitten aan den Disch des Nieuwen Verbonds, met de gemeente het hart omhoog te heffen tot den Heer, Zijn dood te verkondigen, Zijn opstanding te vieren en om Zijn Geest te roepen?

    En zijt gij willig U aan de tucht des Geestes in de gemeente te onderwerpen?

    Toelichting bij de Belijdenisvragen. De Belijdenis is een liturgische handeling. Zij zoekt niet naar dogmatische bepaaldheid en soberheid, maar geeft, zooals reeds Tertullianus ons geleerd heeft, iets meer. Er moet een zekere geestelijke overvloed in te beluisteren zijn. Een uitstorting des Heiligen Geestes over jongelingen en jonge dochters. Het is niet juist om, zooals in de Schotsche belijdenisvragen, van de lidmaten beloften te eischen omtrent kerkbezoek, avondmaalsgang, bijbelonderzoek enz. Zulke vragen hooren thuis in een Orde, niet in een Kerk. De Belijdenis mag niet, zooals in de Fransche vragen, zoo uitdrukkelijk als een bevestiging van den Doop worden opgevat. Dan wordt de heilsweg tot een proces van kerkelijke opvoeding, door middel van de catechisatie. De Kerk wordt dan een School. Ook bij aanvaarding van den kinderdoop als regel, blijft de Doop bevestiging van het lidmaatschap en daarom van het geloof en niet omgekeerd de geloofsbelijdenis een bevestiging van den Doop. De belijdenis slaat niet exclusief op persoonlijke geloofsverzekerdheid, maar, in verband met de toelating tot het H. Avondmaal, op de gemeenschap der heiligen en de gaven des Geestes. Bij vraag I. Hier wordt in het meervoud gesproken, in aansluiting aan het lidmaatschap. Dit geeft den belijder steun. Ook het “Onze Vader” staat in het meervoud. Alleen de tweede vraag is meer persoonlijk, terwijl de vierde tot het gemeentelijke terugkeert. In de eerste vraag wordt gesproken van den “Vader”, niet van den Schepper en van het Koninkrijk. Dit is in overeenstemming met het Evangelie, waar het Koninkrijk reeds aan het begin staat. Bij vraag II. De drie ambten worden hier niet met dien naam genoemd; dit zou te leerstellig klinken. De woorden van Zondag 12 zijn overgenomen. Het offer is echter achteraan gesteld, omdat het in het leven van den Christen een andere plaats bekleedt dan in het werk van Christus. Verkiezing en roeping staan in verband met de belijdenis van Christus als Heer. Zij remmen de belijdenis niet, omdat zij niet op den persoonlijken staat van het lid betrekking hebben. De militia Christi, die hier doorbreekt, kan echter tusschen het kindschap in vraag I en de broederschap van vraag III, niet tot hypertrofie komen. Bij vraag III. Vader, Zoon en Geest worden in deze vragen beleden om hun weldaden. Het zijn liturgische en geen dogmatische vragen. De gaven uit vraag III maken de belijdenis pas mogelijk. Deze belijdenis is een gave. Zij voert tot de gemeenschap der heiligen; ieder brengt iets mee. Bij vraag IV. Zoo loopt alles uit op de toelating tot het H. Avondmaal! Het “sursum corda” uit het formulier is naar voren gebracht. De offerande is in den hemel en niet op het altaar. De dood des Heeren wordt verkondigd, d.w.z. het Evangelie komt tot ons in het Woord. De opstanding wordt gevierd; dat is een wezenlijk bestanddeel van de avondmaalsviering. Ook het roepen van den Geest, de epiclese. De beide laatsten zijn vaak verwaarloosd. De gaven en de tucht des Geestes hebben het Avondmaal tot middelpunt. De onderwerping aan de tucht, als liturgische handeling mag hier niet een te kerkordelijk karakter krijgen. Ook zij is een gave, ontvangen in de gemeenschap der heiligen.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 771. A.M. Brouwer aan O. NoordmansLunteren 1945-1955773. O. Noordmans aan mr. F.L.S.F. Baron van Tuyll van Serooskerken →