780. J.M. Gerritsen1 aan O. Noordmans
Wichmond, 29 januari 1947
Zeer geachte collega Noordmans,
Met grote belangstelling heb ik uw artikeltje over ‘de Zon, het Orgel en de Preek’ in Weekblad nr. 42 gelezen. Het is een prachtig voorbeeld van uw persoonlijke stijl en een overtuigend bewijs van uw theologisch meesterschap. Het zet de gedachtengang van uw Liturgie rechtlijnig voort en is als zodanig dan ook een in de roos treffende critiek op wat ik noem de ‘preek-liturgen’. Maar het zal ook anderen gaan als mij, dat wij de juistheid van deze critiek erkennen, zonder ons zelf getroffen te voelen. Ik ben het woord voor woord met uw opmerkingen eens - en toch ben ik ‘liturgisch- gezind’ en weet, dat ik theologisch in een andere wereld sta. Misschien is het goed, u dat in een paar zinnen te schrijven. U maakt het onderscheid tussen heiligheid en werkelijkheid. Daarmee gaat u staan tussen twee werelden. De wereld van het oude Israël, dat een tempeldienst en priesters had, is natuurlijk niet meer de uwe. Maar u vindt daar toch een vaste plaats voor uw éne voet bij de profeten, zowel de ... als de ... De wereld van de kerk is nog niet de uwe - al vindt daar uw andere voet een steunpunt in de prediking van het (vleesgeworden) Woord, d.w.z. in de daar gevonden voortzetting van de profetische lijn. De kerk leeft inderdaad niet uit heiligheden maar uit een werkelijkheid. Die werkelijkheid is, zoals u zegt, enerzijds het verloren paradijs - de gevallen wereld van de evangeliën. Maar dat is één kant. De andere kant van de werkelijkheid der kerk is het ‘Dit is Mijn Lichaam’; ‘Dit is Mijn Bloed’. En uit die werkelijkheid komen we tot liturgie (‘doe dit tot Mijn gedachtenis’). Geen puinhopen of atoombommen of poorten der hel kunnen aan die werkelijkheid afbreuk doen. Want het geïncarneerde Woord heeft nu eenmaal in deze wereld zijn tent opgeslagen. En Kerstfeest is niet allereerst een eschatologisch feest. Ik geef u toe, dat het liturgisch streven aanleiding geeft tot uw critiek. Maar zij treft tot dusver de fouten, niet het wezen van ‘de liturgie’. En ’t zou mij zeer interesseren, om uw bezwaren tegen dat ‘wezen’ van u te horen. Met hartelijke groeten ben ik uw dienstw. J.M. Gerritsen.
(AN)