Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 9B, Lunteren 1945-1955

Weergave
Passages naar Readwise sturen

785. O. Noordmans aan J. Roodenburg1

Lunteren, 17 februari 1947

Zeer geachte collega,

Ik heb indertijd beloofd een ontwerp-formulier voor de bevestiging van predikanten2 op te stellen. Dit ontwerp zou dan voor 15 februari gereed moeten zijn. Nu heb ik er wel aan gewerkt en ik heb een gedeelte in concept, maar lang niet alles. Ik had veel werk om handen en de opstelling is een tijdrovend werk. Het vraagt eigenlijk een veel langere en bredere voorbereiding. Een formulier is bestemd voor eeuwen (misschien) en het moet een bepaalde kerkelijke stijl hebben. Deze moet men leren en uit de verschillende stijlen een keuze doen. Men moet er zich verder rekenschap van geven of het bestaande formulier werkelijk vervangen moet worden en waarom. Men moet zich afvragen of het lang of kort moet zijn; archaïstisch of modern. Ook moet overwogen of de Oude Kerk of de Reformatie uitgangspunt moet zijn enz. enz. Als men daarmee enigszins in het gereede is gekomen, moet men kiezen tussen bijbelse of populaire uitdrukkingswijze. In ’t eerste geval moet men een keuze doen uit de te gebruiken bijbelteksten. Tenslotte moet de stof gezift en nog eens gezift; de text gepolijst en woord voor woord overwogen worden. Maakt men nu een ontwerp zonder ruggespraak vooraf en zonder veel tijd te hebben, dan heeft dat eigenlijk geen zin. Daarom heb ik er - ook noodgedwongen door tijdgebrek er van afgezien een volledig concept op te stellen. Ik heb een schriftuurlijke opleiding van het herderlijk ambt als proeve opgesteld en over de andere delen van het formulier enkele opmerkingen erbij gesteld. Wat moet ik nu verder doen? Eerlijk gezegd lijkt mij de termijn voor de opstelling deze herfst als ik het wel heb - te kort voor dit werk. Het kan niet rijp worden. Mij lijkt het beter de formulieren niet tegelijk met de kerkorde aan te bieden. Een formulier moet tot op zekere hoogte een kunstwerk zijn; een kerkorde niet. Maar wat ligt nu allereerst op mijn weg? Wilt gij mij daaromtrent even wegwijs maken? Met collegiale groet,

O. Noordmans.

(ANHK)

Noten

  1. 1

    J. Roodenburg, zie brief nr. 720 (6.3.1944), n. 9.↩

  2. 2

    Dit ontwerp is bewaard gebleven:

    Ontwerp Fomulier ter bevestiging van de dienaren des Woords.

    Geliefden in de Here Jezus Christus,

    wij hebben nu ... malen voorgesteld onze medebroeder N.N., hier tegenwoordig, om te vernemen of iemand iets had in te brengen, waarom hij niet zou mogen worden bevestigd in de dienst des Woords aan deze gemeente. Daar er nu geen bezwaren zijn ingebracht, willen wij in de Naam des Heren voortvaren.

    Vooraf echter zult gij, met de u voorgestelde dienaar, horen wat de Heilige Schrift ons leert omtrent het herderlijk ambt. Daartoe bedenke een ieder, dat God Zichzelf door de Heilige Geest een Herder laat noemen.

    Hij heet de Bewaarder Israëls, die niet sluimeren zal (Ps. 121:3) en de gemeente belijdt: De Here is mijn Herder (Ps. 23). Ook onze Here Jezus Christus is tot dit ambt gekomen. Hij noemde zichzelf de goede Herder (Joh. 10:11) en heeft in de gelijkenis van ‘Het verloren schaap’ de verborgenheid van dit werk voorgesteld (Lukas 15). De Heilige Geest noemt Hem ook na Zijn hemelvaart de Herder en Opziener onzer zielen (I Petri 2:25) en profeteert, dat Hij eens zal verschijnen als de overste Herder (I Petr. 5).

    Dit ambt nu heeft Hij, tot zijn wederkomst toe, door een bizondere genade, ook aan zondige mensen opgedragen. Het eerst aan de twaalf apostelen (Matt. 10:6) en daarna ook aan Paulus. En opdat wij niet zouden twijfelen, dat Hij ons door dit ambt wil weiden, heeft Hij in het bijzonder aan Petrus, die Hem verloochend had, zijn schapen en lammeren toevertrouwd. Meer in het bijzonder is dit herderlijke ambt opgedragen aan degenen, die het opzicht hebben over een plaatselijke gemeente. De apostel Paulus noemt deze naast de apostelen: profeten en evangelisten (Ef. 4:11). Zij worden daar ook leraars genoemd, waarmee is aangeduid, dat zij niet alleen de plaats der apostelen hebben te bewaren, maar ook hun leer. Blijvende zij nochtans ook zelve gezanten van Christuswege, sprekende door de Heilige Geest, zoals de profeten. Dit ambt is de bediening der verzoening, waarvan de apostel Paulus zegt, dat God het onder ons heeft ingesteld (II Cor. 5).

    Op deze afleiding van het pastorale ambt uit de Heilige Schrift moet dan volgen een uiteenzetting van wat tot dit ambt behoort en die wel het best parallel loopt met wat het bestaande formulier daarover geeft. Woord-Sacramenten-Gebeden-Tucht.

    Daarop volgen de vragen aan de te bevestigen dienaar. Deze vragen dienen m.i. niet te formeel te zijn, maar moeten enigszins liturgisch karakter dragen. D.w.z. zij moeten de geloofsinhoud met een zekere volheid naar voren laten komen, wat niet betekent, dat zij uitvoerig behoeven te zijn. Op de belofte van de dienaar zou die van de gemeente kunnen volgen. De verhouding van predikant en gemeente lijdt dikwijls aan eenzijdigheid. Na deze vragen en antwoorden zou het gebed om de gaven des Geestes kunnen staan, die dienaar en gemeente beloofd zijn. Daarna volgt dan de eigenlijke bevestiging, waarna de slotvermaningen het formulier besluiten.

    O. Noordmans.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit het zetbestand van het boek; de noten zijn aan hun verwijzing gekoppeld. Dat bestand heeft geen paginanummers: een brief wordt aangehaald met zijn nummer. Zet onder Weergave de correcties aan om de herstelde en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 784. O. Noordmans aan K.H. MiskotteLunteren 1945-1955786. O. Noordmans aan F. Boerwinkel →